wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

6 vwo herhaling

Total questions: 46

Worksheet time: 1hrs 17mins

Name
Class
Date
1.

Welke organellen waren oorspronkelijk (waarschijnlijk) bacteriën?

a)

mitochondria en lysozomen

b)

mitochondria en chloroplasten

c)

celkernen en mitochondria

d)

celkernen en chloropalsten

2.

Wat bepaalt een bloedgroep?

a)

De antigenen op de witte bloedcellen

b)

De antigenen op de rode bloedcellen

c)

De antistoffen die je aanmaakt

d)

Er is maar 1 soort bloed

3.

Welke bloedgroepen zijn er?

a)

A

b)

O

c)

AB

d)

C

e)

B

4.

Welke bloedgroep mag/mogen doneren aan bloedgroep A

a)

Bloedgroep A

b)

Bloedgroep B

c)

Bloedgroep O

d)

Bloedgroep AB

5.

Wat is een macrofaag?

a)

Een witte bloedcel die ziekte verwekkers "opeet"

b)

Een witte bloedcel die antistoffen aanmaakt

c)

Een witte bloedcel die onthoud welke antistoffen er al eens zijn gemaakt

d)

Een rode bloedcel

6.

Hoe heet het proces dat je in het plaatje ziet?

a)

Hatelytose

b)

Lymfocyten

c)

Klonteren

d)

Fagocytose

7.

Wat gaat er vaak fout als er een donororgaan wordt afgestoten?

a)

Het bloed gaat klonteren

b)

Het orgaan sluit niet goed aan op de bloedvaten

c)

Nieuwe organen gaan nooit lang mee

d)

Het immuunsysteem herkent het als niet lichaams eigen

8.

Wat doet een geheugen cel voor het immuunsysteem?

a)

Onthouden hoevaak je ziek bent geweest

b)

Onthouden welke antistoffen het lichaam al kent

c)

Onthouden welke antigenen lichaams eigen zijn

d)

Onthouden wat ziekteverwekkers zijn

9.

Wat vindt je niet in het lymfesysteem?

a)

Lymfe

b)

Rode bloedccellen

c)

Witte bloecellen

d)

Voedingsstoffen

10.

Wat is een preventieve vaccinatie?

a)

Een vaccinatie (prik) met van een verzwakte vorm van een ziekte die wordt gegeven als je ziek bent

b)

Een vaccinatie (prik) met van een verzwakte vorm van een ziekte die wordt gegeven om te voorkomen dat je ziek word

c)

Een vacinatie (prik) met antistoffen tegen een ziekte die wordt gegeven als je ziek bent

d)

Een vacinatie (prik) met antistoffen tegen een ziekte die wordt gegeven om te voorkomen dat je ziek word

11.

Waartegen nemen we antibiotica?

a)

Bacteriën

b)

Virussen

c)

Bacteriën en Virussen

d)

Macrofagen

12.
Welke cellen horen NIET bij de specifieke afweer?
a)
B-lymfocyten
b)
Thelper-lymfocyten
c)
'natural killer' cellen
d)
Tsuppressor-cellen
13.
Welke antistoffensoort kan door de placenta heen?
a)
IgG
b)
IgA
c)
IgM
d)
IgE
14.

Wat bepaalt een bloedgroep?

a)

De antigenen op de witte bloedcellen

b)

De antigenen op de rode bloedcellen

c)

De antistoffen die je aanmaakt

d)

Er is maar 1 soort bloed

15.

Hoe heet het proces dat je in het plaatje ziet?

a)

Hatelytose

b)

Lymfocyten

c)

Klonteren

d)

Fagocytose

16.

Wat is een preventieve vaccinatie?

a)

Een vaccinatie (prik) met van een verzwakte vorm van een ziekte die wordt gegeven als je ziek bent

b)

Een vaccinatie (prik) met van een verzwakte vorm van een ziekte die wordt gegeven om te voorkomen dat je ziek word

c)

Een vacinatie (prik) met antistoffen tegen een ziekte die wordt gegeven als je ziek bent

d)

Een vacinatie (prik) met antistoffen tegen een ziekte die wordt gegeven om te voorkomen dat je ziek word

17.

A6

Op 14-jarige leeftijd werd bij Rien diabetes type 1 geconstateerd. Vanaf dat moment moest hij vier keer per dag insuline gaan spuiten. Hij leerde om hypers (te hoge bloedsuikergehaltes) en hypo’s (te lage bloedsuikergehaltes) te vermijden door de hoeveelheid insuline die hij toediende, af te stemmen op de hoeveelheid koolhydraten die hij at. Ook moest hij rekening houden met zijn lichamelijke activiteit. Rien vertelt: “Ik moest vooral leren om bij sportactiviteiten niet te enthousiast van start te gaan. Anders voelde ik me na één uur al zo slap als een vaatdoek.”

Voor het feit dat Rien zich na één uur sporten zo slap voelde, wordt de volgende verklaring gegeven:

Door een sterke toename van de ...(1)... ontwikkelde Rien een ...(2)...

a)

(1) dissimilatie (2) hyper

b)

(1) dissimilatie (2) hypo

c)

(1) assimilatie (2) hyper

d)

(1) assimilatie (2) hypo

18.

C1

MSUD is een zeldzame erfelijke stofwisselingsziekte. Bij baby's kan de ziekte MSUD ontdekt worden dankzij de hielprik.

De hielprik vindt enkele dagen na de geboorte plaats. Er wordt bloed afgenomen dat onderzocht wordt om verschillende aangeboren aandoeningen op te sporen. Om te bepalen of een baby MSUD heeft, wordt de concentratie van verschillende aminozuren bepaald.

Welk bloedbestanddeel wordt onderzocht om te bepalen of een baby MSUD heeft?

a)

witte bloedcellen

b)

rode bloedcellen

c)

bloedplaatjes

d)

bloedplasma

19.

D3

Tussen de 400 en 350 miljoen jaar geleden zijn er uit vissen vierpotige landdieren ontstaan. De overgang van water naar land was mogelijk dankzij een aantal ingrijpende aanpassingen.

Om de evolutionaire ontwikkeling van deze aanpassingen te volgen worden fossielen vergeleken met nu nog levende organismen. Daarbij is het van belang te weten welke nu nog levende vissoort het meest verwant is aan de vissen die als eerste ‘vin aan wal’ zetten. Twee kwastvinnige vissoorten komen in aanmerking: de longvis en de coelacanth.

Om de meest recente voorouder van gewervelde landdieren en kwastvinnigen te achterhalen, is met behulp van DNA-analyse de verwantschap van verschillende soorten gewervelden bepaald. Deze verwantschap is weergegeven in afbeelding 4.


Welke van de visachtigen is het meest verwant met vierpotige gewervelden?

a)

Longvis

b)

Coelacanth

c)

Zebravis

d)

Hondshaai

20.

B4

Maud werkt als diëtiste in een academisch ziekenhuis. Een van haar patiëntjes is Stan, een baby met de zeldzame stofwisselingsziekte MSUD, die autosomaal overerft.

Voor een uitgebreid onderzoek naar MSUD in de familie van Stan werd bij familieleden wangslijmvlies afgenomen en onderzocht. In de stamboom van de familie (afbeelding 1) zijn de uitslagen aangegeven.

De ouders van Stan vragen zich af wat de kans is dat een volgend kind ook MSUD heeft.

Hoeveel procent is de kans op een volgend kind met MSUD als dit kind een meisje is? En als dit kind een jongen is?

a)

Jongen: 0% Meisje 0%

b)

Jongen: 0% Meisje 50%

c)

Jongen: 25% Meisje 25%

d)

Jongen: 25% Meisje 50%

e)

Jongen: 50% Meisje 50%

21.

B2

Maud werkt als diëtiste in een academisch ziekenhuis. Een van haar patiëntjes is Stan, een baby met de zeldzame stofwisselingsziekte MSUD, die autosomaal overerft.

Voor een uitgebreid onderzoek naar MSUD in de familie van Stan werd bij familieleden wangslijmvlies afgenomen en onderzocht. In de stamboom van de familie (afbeelding 1) zijn de uitslagen aangegeven.

Bij de ouders van Stans moeder (I-1 en I-2, afbeelding 1) werd het afwijkende allel niet aangetroffen. Dit betekent dat er één mutatie opgetreden is die heeft geleid tot het afwijkende allel bij Stans moeder. Vier cellen zijn:

1 een eicel van oma I-1,

2 een zaadcel van opa I-2,

3 de bevruchte eicel waaruit Stans moeder (II-2) is ontstaan,

4 een eicel van Stans moeder (II-2).

In welke van deze cellen kan deze mutatie zijn opgetreden, gezien de resultaten van het erfelijkheidsonderzoek?De

a)

alleen in 1 of 2

b)

alleen in 3 of 4

c)

alleen in 1, 2 of 3

d)

alleen in 1, 3 of 4

e)

in 1, 2, 3 en 4

22.

A6

In de wortels van planten wordt een gedeelte van de koolhydraten als reservevoedsel opgeslagen, en een gedeelte wordt gebruikt.

Voor welk proces in de wortels worden deze koolhydraten als energiebron gebruikt?

a)

voor het transport van koolstofdioxide

b)

voor het transport van mineralen

c)

voor het transport van zuurstof

d)

voor fotosynthese

23.

F3

Om te onderzoeken welke voedingstoffen in graswortels aanwezig zijn, voeren Wietse en Jelte het volgende experiment uit.

Ze verzamelen 10 gram graswortels en persen die uit. Het op die manier verkregen sap vullen ze aan met water tot 15 mL.

Ze gebruiken standaard-indicatorreacties om voedingstoffen aan te tonen. Tabel 1 geeft de kleuromslag aan van de indicatorreactie.

Wietse en Jelte vullen drie genummerde buizen elk met 5 mL van het verdunde graswortelsap en onderzoeken buis 1 met Fehlings-reagens, buis 2 met joodoplossing en buis 3 met DCPIP.

In tabel 2 staan hun resultaten.

Welke conclusies kunnen Wietse en Jelte trekken uit de resultaten (tabel 2) van hun experiment naar de aanwezigheid van voedingsstoffen in het sap van graswortels?

a)

glucose, zetmeel en vitamine C aanwezig

b)

glucose en zetmeel aanwezig, vitamine C afwezig

c)

glucose afwezig, zetmeel en vitamine C aanwezig

d)

glucose en vitamine C afwezig, zetmeel aanwezig

24.

V

Veldmuizen moeten het zetmeel uit de wortels die zij eten eerst verteren. De koolhydraatvertering vindt bij de muis op dezelfde manier plaats als bij de mens. Bij vertering van zetmeel tot monosachariden zijn verschillende enzymen betrokken.

Hieronder staan diverse klieren van het spijsverteringsstelsel genoemd. Welke klier produceert GEEN enzym dat betrokken is bij de vertering van zetmeel?

a)

speekselklier

b)

alvleesklier

c)

enzymproducerende darmcel

d)

maagsapklier

25.

G5

Een sluipwesp produceert verschillende stoffen die ertoe leiden dat een sluipwesplarve zich ongestoord kan ontwikkelen in het lichaam van een gastheer. Het neurotoxine dat de sluipwesp inspuit, blokkeert de receptoren voor bepaalde neurotransmitters in het zenuwstelsel van de kakkerlak. Afbeelding 2 geeft een schakeling weer van zenuwcellen bij insecten. De pijlen geven de richting van de impulsen aan. Zenuwcel B is een schakelzenuwcel. Drie plaatsen op de zenuwcellen zijn met de letters P, Q en R aangegeven.

Is zenuwcel A in afbeelding 2 een motorische of een sensorische zenuwcel? Op welke plaats werkt het neurotoxine?

a)

motorische zenuwcel; plaats Q

b)

motorische zenuwcel; plaats R

c)

sensorische zenuwcel; plaats Q

d)

sensorische zenuwcel; plaats R

26.

D

Rivierkreeften zijn geleedpotigen die leven in riviertjes, sloten en plassen. In tabel 1 staat een overzicht van de in Nederland voorkomende rivierkreeften.

  • Hoeveel verschillende soorten rivierkreeften komen er in Nederland voor volgens tabel 1?
  • Tot hoeveel genera (geslachten) behoren deze kreeften?
a)

7 soorten en 7 genera

b)

4 soorten en 4 genera

c)

7 soorten en 4 genera

d)

4 soorten en 7 genera

27.

Bij kreeften kan een ziekte voorkomen: de kreeftenpest.

De ziekteverschijnselen van de kreeftenpest zijn: zeer onrustig gedrag en omvallen. Daarnaast wordt een zieke kreeft overdag actief in plaats van ’s nachts. Negen tot vijftien dagen na infectie sterft het dier.

Welk orgaanstelsel van de kreeft wordt blijkbaar vooral aangetast door de kreeftenpest?

a)

zenuwstelsel

b)

bloedvatenstelsel

c)

beenderstelsel

d)

verteringsstelsel

28.

D1

De enige plek in Nederland waar de Europese rivierkreeft nog voorkomt, is een vijver op een landgoed bij Arnhem. Hier leeft een geïsoleerde populatie van enkele honderden individuen.

Om het aantal inheemse kreeften te vergroten is een kweekprogramma opgezet. Er wordt een klein aantal eidragende vrouwtjes uit de bedreigde populatie weggevangen. Hierna worden de jongen in aquaria opgekweekt. Als deze volwassen zijn, worden ze uitgezet op zorgvuldig geselecteerde plaatsen.

Omdat er maar een klein aantal vrouwtjes wordt gebruikt voor het kweekprogramma, kunnen de allelfrequenties van de nieuwe populaties sterk gaan afwijken van die van de oorspronkelijke populatie.

Wat is de naam van dit verschijnsel?

a)

adaptatie

b)

genetic drift

c)

recombinatie

d)

seksuele selectie

29.

A4

Arjen de Groot maakt voor het onderzoek naar de verspreiding van de Amerikaanse rivierkreeften gebruik van zogenaamd eDNA (environmental DNA). Dit is DNA dat in het water terechtkomt via organische resten van organismen zoals huidcellen, haren, schubben, slijm of urine. Na het nemen van watermonsters wordt het eDNA geanalyseerd.

De rode Amerikaanse rivierkreeft wordt geïdentificeerd aan de hand van een merker: een klein stukje kenmerkend DNA. Als de merker in een watermonster voorkomt, betekent dit dat de rode Amerikaanse rivierkreeft aanwezig is in het water waarvan het monster is genomen.

Bij eDNA-onderzoek van een sloot worden merkers van de rode Amerikaanse rivierkreeft aangetroffen.

Kunnen deze merkers afkomstig zijn uit de poep van de rode Amerikaanse rivierkreeft? En uit de geslachtscellen van deze kreeft?

a)

poep: ja geslachtscellen: ja

b)

poep: ja geslachtscellen: nee

c)

poep: nee geslachtscellen: ja

d)

poep: nee geslachtscellen: nee

30.

B1

Arjen de Groot maakt voor het onderzoek naar de verspreiding van de Amerikaanse rivierkreeften gebruik van zogenaamd eDNA (environmental DNA). Dit is DNA dat in het water terechtkomt via organische resten van organismen zoals huidcellen, haren, schubben, slijm of urine. Na het nemen van watermonsters wordt het eDNA geanalyseerd.

De rode Amerikaanse rivierkreeft wordt geïdentificeerd aan de hand van een merker: een klein stukje kenmerkend DNA. Als de merker in een watermonster voorkomt, betekent dit dat de rode Amerikaanse rivierkreeft aanwezig is in het water waarvan het monster is genomen.

Welke eigenschap heeft een merker waardoor deze geschikt is voor het identificeren van een soort?

a)

Deze bevat een unieke nucleotidenvolgorde

b)

Deze bevat unieke codons

c)

Deze bevat unieke nucleotiden

d)

Deze bevat unieke aminozuren

31.

C1

In tegenstelling tot andere beren houden reuzenpanda’s niet van vlees. Het gen dat vlees hartig laat smaken (het T1R1-gen), is bij de reuzenpanda veranderd. Hierdoor heeft vlees voor reuzenpanda’s geen aantrekkelijke smaak.

Het T1R1-gen codeert voor een receptor die vlees hartig doet smaken: de umami-receptor.

Welke beschrijving van de umami-receptor is juist?

a)

Het is een eiwit dat wordt uitgescheiden met het speekselvocht.

b)

Het is een eiwit in het celmembraan van smaakzintuigcellen.

c)

Het is een enzym dat genexpressie regelt.

d)

Het is een enzym in het cytoplasma van smaakzintuigcellen.

32.

C2

In tegenstelling tot andere beren houden reuzenpanda’s niet van vlees. Het gen dat vlees hartig laat smaken (het T1R1-gen), is bij de reuzenpanda veranderd. Hierdoor heeft vlees voor reuzenpanda’s geen aantrekkelijke smaak.

Het T1R1-gen codeert voor een receptor die vlees hartig doet smaken: de umami-receptor.

Bij de reuzenpanda is een mutatie van het T1R1-gen verantwoordelijk voor niet-werkzame umami-receptoren.

Kan deze mutatie een genoommutatie of een puntmutatie zijn?

a)

geen van beide

b)

alleen een puntmutatie

c)

alleen een genoommutatie

d)

zowel een genoommutatie als een puntmutatie

33.
In deze afbeelding zie je een:
a)
levensgemeenschap
b)
individu
c)
biotoop
d)
populatie
34.
Hoe noem je alle abiotische factoren samen?
a)
ecosysteem
b)
bioom
c)
biotoop
d)
biosfeer
35.
Aan vier leerlingen wordt gevraagd een voorbeeld te noemen van een ecosysteem. Zij geven de volgende voorbeelden.
Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied.Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei.Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen.Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.
Welke leerling geeft een juist voorbeeld?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
36.
In een fruitboomgaard treden regelmatig plagen van fruitspintmijten op. Fruitspintmijten zuigen plantesappen uit de bladeren van de fruitbomen waardoor de bladeren op grote schaal verdorren en de oogst vermindert. Vier keer per jaar wordt het aantal fruitspintmijten vastgesteld. Afhankelijk van het aantal fruitspintmijten wordt één of twee keer per jaar gespoten met een chemisch bestrijdingsmiddel. Elke keer wordt hetzelfde type en dezelfde hoeveelheid bestrijdingsmiddel gebruikt.In de bron zijn de resultaten van tellingen van fruitspintmijten over 8 jaren weergegeven.Twee kwekers doen elk een bewering over de oorzaak van plagen van fruitspintmijten in een appelboomgaard.
Kweker 1: Dat komt doordat de biotische omstandigheden in de boomgaard voor de fruitspintmijten zeer gunstig zijn.Kweker 2: Dat komt doordat de fruitspintmijten door hun voedselspecialisatie alleen in een fruitboomgaard kunnen leven.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
a)
geen van beiden
b)
alleen kweker 1
c)
alleen kweker 2
d)
beiden
37.
Men wil van een populatie van een bepaalde diersoort het aantal individuen schatten. Men vangt 200 exemplaren en merkt deze. Daarna worden ze vrijgelaten. Na een tijdje worden weer 200 dieren gevangen. Hiervan zijn er 40 gemerkt. Op grond hiervan kan worden berekend dat de populatie uit ongeveer 1000 individuen bestaat. Bij deze berekening wordt ervan uitgegaan dat het voor de vangkans niet uitmaakt of een dier al eerder is gevangen of niet. In werkelijkheid laten dieren van deze soort die al een keer zijn gevangen, zich niet meer zo gemakkelijk opnieuw vangen.
Wat betekent dit voor het werkelijke aantal dieren waaruit deze populatie bestaat?
a)
Die is zeer waarschijnlijk kleiner dan 1000.
b)
Die is zeer waarschijnlijk groter dan 1000.
c)
Die kan met evenveel kans groter of kleiner zijn dan 1000.
38.
Op de open plek waar de bomen zijn gekapt, zullen mossen een deel van de bodem bedekken en er zullen zaden ontkiemen. Kleine éénjarige plantensoorten zoals Vogelmuur en Klein springzaad zullen binnen een paar maanden op de onbegroeide plek groeien. Na verloop van tijd groeien er ook grotere plantensoorten zoals Gewoon vingerhoedskruid en Wilgeroosje. Na enkele jaren zullen deze plantensoorten verdrongen zijn door struiken en bomen. Onder de bomen en struiken groeien dan bijvoorbeeld varens en Dalkruid.
Over de beschreven veranderingen in de plantengroei op de plek waar de bomen zijn gekapt, doen twee leerlingen een bewering:Arnold: "De beschreven veranderingen in de plantengroei op die plek zijn een voorbeeld van successie."Marije: "Dat er veranderingen zijn in de plantengroei op die plek is uitsluitend een gevolg van veranderingen in biotische factoren."
Van welke leerling of van welke leerlingen is de bewering juist?
a)
Geen van beiden
b)
alleen Arnold
c)
alleen Marije
d)
Beiden
39.
Dalkruid kan zich wel handhaven onder bomen en struiken en Gewoon vingerhoedskruid niet. Daarvoor zijn verschillende oorzaken die met elkaar samenhangen.
Welke van de volgende beweringen geeft één van die oorzaken juist weer?
a)
Dalkruid heeft een hoger optimum voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
b)
Dalkruid heeft een hogere maximum tolerantiegrens voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
c)
Dalkruid heeft een lagere minimum tolerantiegrens voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
40.
Bilharzia is een ziekte die in (sub)tropische landen voorkomt. De ziekte wordt veroorzaakt door Schistosoma-wormpjes. Deze wormpjes hebben een levenscyclus met als gastheren de mens en bepaalde zoetwaterslakken. De infectie vindt plaats via het water van rivieren en kanalen. Zie bron 1 met de toelichting hieronder. Door aanleg van irrigatiekanalen voor onder andere rijstvelden breidt de ziekte zich uit. Men bestrijdt de ziekte met chemische bestrijdingsmiddelen die slakken doden.
In het lichaam van de mens leggen de Schistosoma-wormpjes (1) per dag duizenden eitjes, die met de urine en de ontlasting (2) in het water kunnen terechtkomen. Wanneer deze eitjes in het water terechtkomen, ontstaan daaruit larven (3, 4 en 5) die zoetwaterslakken (6) binnendringen. In de slak gaat deze larve over in een ander larvaal stadium. In dit stadium verlaat de larve het lichaam van de slak (7) en dringt via de huid het lichaam van een mens binnen. Daar groeit hij weer uit tot een volwassen worm (1).
Welke voedselrelatie bestaat er tussen Schistosoma en de mens?
a)
competitie
b)
parasitisme
c)
predatie
41.
In Noord-Holland bevindt zich de ruïne Nuwendoorn. De in 1960 teruggevonden resten van deze oude burcht uit de tijd van Floris V bestaan uit de contouren van een kasteel, een slotgracht en een waterput. In de jaren tachtig is er een heemtuin aangelegd. Een heemtuin is een tuin waarin wilde planten uit de omgeving zijn samengebracht. Het gebied is ongeveer 1 ha groot. 
In het hele terrein Nuwendoorn heeft de mens ingegrepen en komen dus geen natuurlijke ecosystemen voor. Indien men het beheer van het terrein zou stoppen zou in de verschillende kunstmatige ecosystemen een climaxvegetatie kunnen ontstaan.
Welk ecosysteem op het terrein van Nuwendoorn moet de langste successiereeks ondergaan om zich tot een climaxvegetatie te ontwikkelen?
a)
het bos
b)
de heemtuin
c)
de slotgracht
d)
het weiland
42.
Er is volop leven in de diepzee, maar plantaardige organismen komen daar niet voor. Dat er wel andere levensvormen voorkomen, is meestal een gevolg van een continue voedselstroom van afgestorven organismen uit hogere lagen. Soms is er echter sprake van een volledig voedselweb. In de zogenaamde 'black smokers' bij Papoea-Nieuw-Guinea komen autotrofe bacteriën voor. Smokers zijn grote kegelvormige bergen van zwavelverbindingen op de bodem van de zee, waaruit oververhit water van 300 °a:omhoog spuit onder een druk van 265 atmosfeer. De genoemde autotrofe bacteriën zijn in staat om bepaalde mineralen (bijvoorbeeld sulfiden/zwavelverbindingen), die in water in flinke hoeveelheden oplossen, te oxideren. Hierbij komt energie vrij die benut wordt voor de opbouw van organische moleculen.
Welke ecologische rol spelen de in de tekst genoemde bacteriën?
a)
consumenten
b)
producenten
c)
reducenten
43.
Behalve de bacteriën vind je bij de smokers allerlei krabbetjes en wormen. Een voorbeeld daarvan is een merkwaardige worm, Riftia pachyptila. Dit dier is een meter lang en het heeft geen mond, ingewanden of anus. Wel bezit het een merkwaardig orgaan dat van veel bloedvaten voorzien is. Dit orgaan wordt trofosoom genoemd. In het trofosoom verblijven zeer veel sulfideafbrekende bacteriën: 35% van het gewicht van het trofosoom wordt gevormd door deze bacteriën.
Deze bacteriën voorzien Riftia van voedingsstoffen en worden door Riftia weer van zuurstof en sulfide voorzien.
Welk type relatie is het meest waarschijnlijk tussen Riftia en de bacteriën?
a)
mutualisme
b)
commensalisme
c)
parsitisme
d)
competitie
44.
In het Andesgebergte in Colombia vind je verschillende vegetatiezones. Van laag naar hoog: tropisch bos, bergbos, struikpáramo (een zone met voornamelijk struikgewas) en ten slotte páramo (een soort alpenweide zonder bomen en struiken). Daarboven is geen vegetatie meer, maar bevindt zich eeuwige sneeuw. 
Welke abiotische factor is vooral verantwoordelijk voor het opschuiven van de verschillende vegetatiezones in de Andes?
a)
temperatuur
b)
water
c)
wind
d)
licht
45.
De larve van de nachtvlinder heeft een groot aantal bacteriën in zijn verteringskanaal. Deze bacteriën spelen een belangrijke rol bij de vertering van het voedsel van de larven.
Met welke biologische term wordt de relatie tussen de larve en de bacteriën aangeduid?
a)
Mutualisme 
b)
Commensalisme
c)
Parasitisme
d)
Predatie
46.
In de afbeelding zijn de relaties tussen producenten, consumenten en reducenten schematisch weergegeven.
Op een bepaald moment wordt het water van een sloot vervuild met organische stoffen.
Zal daardoor als eerste een toename optreden van het aantal consumenten, van het aantal producenten of van het aantal reducenten in deze sloot?
a)
consumenten
b)
producenten
c)
reducenten