Font size
Worksheets6 vwo herhaling
Total questions: 46
Worksheet time: 1hrs 17mins
Welke organellen waren oorspronkelijk (waarschijnlijk) bacteriën?
mitochondria en lysozomen
mitochondria en chloroplasten
celkernen en mitochondria
celkernen en chloropalsten
Wat bepaalt een bloedgroep?
De antigenen op de witte bloedcellen
De antigenen op de rode bloedcellen
De antistoffen die je aanmaakt
Er is maar 1 soort bloed
Welke bloedgroepen zijn er?
A
O
AB
C
B
Welke bloedgroep mag/mogen doneren aan bloedgroep A
Bloedgroep A
Bloedgroep B
Bloedgroep O
Bloedgroep AB
Wat is een macrofaag?
Een witte bloedcel die ziekte verwekkers "opeet"
Een witte bloedcel die antistoffen aanmaakt
Een witte bloedcel die onthoud welke antistoffen er al eens zijn gemaakt
Een rode bloedcel
Hoe heet het proces dat je in het plaatje ziet?
Hatelytose
Lymfocyten
Klonteren
Fagocytose
Wat gaat er vaak fout als er een donororgaan wordt afgestoten?
Het bloed gaat klonteren
Het orgaan sluit niet goed aan op de bloedvaten
Nieuwe organen gaan nooit lang mee
Het immuunsysteem herkent het als niet lichaams eigen
Wat doet een geheugen cel voor het immuunsysteem?
Onthouden hoevaak je ziek bent geweest
Onthouden welke antistoffen het lichaam al kent
Onthouden welke antigenen lichaams eigen zijn
Onthouden wat ziekteverwekkers zijn
Wat vindt je niet in het lymfesysteem?
Lymfe
Rode bloedccellen
Witte bloecellen
Voedingsstoffen
Wat is een preventieve vaccinatie?
Een vaccinatie (prik) met van een verzwakte vorm van een ziekte die wordt gegeven als je ziek bent
Een vaccinatie (prik) met van een verzwakte vorm van een ziekte die wordt gegeven om te voorkomen dat je ziek word
Een vacinatie (prik) met antistoffen tegen een ziekte die wordt gegeven als je ziek bent
Een vacinatie (prik) met antistoffen tegen een ziekte die wordt gegeven om te voorkomen dat je ziek word
Waartegen nemen we antibiotica?
Bacteriën
Virussen
Bacteriën en Virussen
Macrofagen
Wat bepaalt een bloedgroep?
De antigenen op de witte bloedcellen
De antigenen op de rode bloedcellen
De antistoffen die je aanmaakt
Er is maar 1 soort bloed
Hoe heet het proces dat je in het plaatje ziet?
Hatelytose
Lymfocyten
Klonteren
Fagocytose
Wat is een preventieve vaccinatie?
Een vaccinatie (prik) met van een verzwakte vorm van een ziekte die wordt gegeven als je ziek bent
Een vaccinatie (prik) met van een verzwakte vorm van een ziekte die wordt gegeven om te voorkomen dat je ziek word
Een vacinatie (prik) met antistoffen tegen een ziekte die wordt gegeven als je ziek bent
Een vacinatie (prik) met antistoffen tegen een ziekte die wordt gegeven om te voorkomen dat je ziek word
A6
Op 14-jarige leeftijd werd bij Rien diabetes type 1 geconstateerd. Vanaf dat moment moest hij vier keer per dag insuline gaan spuiten. Hij leerde om hypers (te hoge bloedsuikergehaltes) en hypo’s (te lage bloedsuikergehaltes) te vermijden door de hoeveelheid insuline die hij toediende, af te stemmen op de hoeveelheid koolhydraten die hij at. Ook moest hij rekening houden met zijn lichamelijke activiteit. Rien vertelt: “Ik moest vooral leren om bij sportactiviteiten niet te enthousiast van start te gaan. Anders voelde ik me na één uur al zo slap als een vaatdoek.”
Voor het feit dat Rien zich na één uur sporten zo slap voelde, wordt de volgende verklaring gegeven:
Door een sterke toename van de ...(1)... ontwikkelde Rien een ...(2)...
(1) dissimilatie (2) hyper
(1) dissimilatie (2) hypo
(1) assimilatie (2) hyper
(1) assimilatie (2) hypo
C1
MSUD is een zeldzame erfelijke stofwisselingsziekte. Bij baby's kan de ziekte MSUD ontdekt worden dankzij de hielprik.
De hielprik vindt enkele dagen na de geboorte plaats. Er wordt bloed afgenomen dat onderzocht wordt om verschillende aangeboren aandoeningen op te sporen. Om te bepalen of een baby MSUD heeft, wordt de concentratie van verschillende aminozuren bepaald.
Welk bloedbestanddeel wordt onderzocht om te bepalen of een baby MSUD heeft?
witte bloedcellen
rode bloedcellen
bloedplaatjes
bloedplasma
D3
Tussen de 400 en 350 miljoen jaar geleden zijn er uit vissen vierpotige landdieren ontstaan. De overgang van water naar land was mogelijk dankzij een aantal ingrijpende aanpassingen.
Om de evolutionaire ontwikkeling van deze aanpassingen te volgen worden fossielen vergeleken met nu nog levende organismen. Daarbij is het van belang te weten welke nu nog levende vissoort het meest verwant is aan de vissen die als eerste ‘vin aan wal’ zetten. Twee kwastvinnige vissoorten komen in aanmerking: de longvis en de coelacanth.
Om de meest recente voorouder van gewervelde landdieren en kwastvinnigen te achterhalen, is met behulp van DNA-analyse de verwantschap van verschillende soorten gewervelden bepaald. Deze verwantschap is weergegeven in afbeelding 4.
Welke van de visachtigen is het meest verwant met vierpotige gewervelden?
Longvis
Coelacanth
Zebravis
Hondshaai
B4
Maud werkt als diëtiste in een academisch ziekenhuis. Een van haar patiëntjes is Stan, een baby met de zeldzame stofwisselingsziekte MSUD, die autosomaal overerft.
Voor een uitgebreid onderzoek naar MSUD in de familie van Stan werd bij familieleden wangslijmvlies afgenomen en onderzocht. In de stamboom van de familie (afbeelding 1) zijn de uitslagen aangegeven.
De ouders van Stan vragen zich af wat de kans is dat een volgend kind ook MSUD heeft.
Hoeveel procent is de kans op een volgend kind met MSUD als dit kind een meisje is? En als dit kind een jongen is?
Jongen: 0% Meisje 0%
Jongen: 0% Meisje 50%
Jongen: 25% Meisje 25%
Jongen: 25% Meisje 50%
Jongen: 50% Meisje 50%
B2
Maud werkt als diëtiste in een academisch ziekenhuis. Een van haar patiëntjes is Stan, een baby met de zeldzame stofwisselingsziekte MSUD, die autosomaal overerft.
Voor een uitgebreid onderzoek naar MSUD in de familie van Stan werd bij familieleden wangslijmvlies afgenomen en onderzocht. In de stamboom van de familie (afbeelding 1) zijn de uitslagen aangegeven.
Bij de ouders van Stans moeder (I-1 en I-2, afbeelding 1) werd het afwijkende allel niet aangetroffen. Dit betekent dat er één mutatie opgetreden is die heeft geleid tot het afwijkende allel bij Stans moeder. Vier cellen zijn:
1 een eicel van oma I-1,
2 een zaadcel van opa I-2,
3 de bevruchte eicel waaruit Stans moeder (II-2) is ontstaan,
4 een eicel van Stans moeder (II-2).
In welke van deze cellen kan deze mutatie zijn opgetreden, gezien de resultaten van het erfelijkheidsonderzoek?De
alleen in 1 of 2
alleen in 3 of 4
alleen in 1, 2 of 3
alleen in 1, 3 of 4
in 1, 2, 3 en 4
A6
In de wortels van planten wordt een gedeelte van de koolhydraten als reservevoedsel opgeslagen, en een gedeelte wordt gebruikt.
Voor welk proces in de wortels worden deze koolhydraten als energiebron gebruikt?
voor het transport van koolstofdioxide
voor het transport van mineralen
voor het transport van zuurstof
voor fotosynthese
F3
Om te onderzoeken welke voedingstoffen in graswortels aanwezig zijn, voeren Wietse en Jelte het volgende experiment uit.
Ze verzamelen 10 gram graswortels en persen die uit. Het op die manier verkregen sap vullen ze aan met water tot 15 mL.
Ze gebruiken standaard-indicatorreacties om voedingstoffen aan te tonen. Tabel 1 geeft de kleuromslag aan van de indicatorreactie.
Wietse en Jelte vullen drie genummerde buizen elk met 5 mL van het verdunde graswortelsap en onderzoeken buis 1 met Fehlings-reagens, buis 2 met joodoplossing en buis 3 met DCPIP.
In tabel 2 staan hun resultaten.
Welke conclusies kunnen Wietse en Jelte trekken uit de resultaten (tabel 2) van hun experiment naar de aanwezigheid van voedingsstoffen in het sap van graswortels?
glucose, zetmeel en vitamine C aanwezig
glucose en zetmeel aanwezig, vitamine C afwezig
glucose afwezig, zetmeel en vitamine C aanwezig
glucose en vitamine C afwezig, zetmeel aanwezig
V
Veldmuizen moeten het zetmeel uit de wortels die zij eten eerst verteren. De koolhydraatvertering vindt bij de muis op dezelfde manier plaats als bij de mens. Bij vertering van zetmeel tot monosachariden zijn verschillende enzymen betrokken.
Hieronder staan diverse klieren van het spijsverteringsstelsel genoemd. Welke klier produceert GEEN enzym dat betrokken is bij de vertering van zetmeel?
speekselklier
alvleesklier
enzymproducerende darmcel
maagsapklier
G5
Een sluipwesp produceert verschillende stoffen die ertoe leiden dat een sluipwesplarve zich ongestoord kan ontwikkelen in het lichaam van een gastheer. Het neurotoxine dat de sluipwesp inspuit, blokkeert de receptoren voor bepaalde neurotransmitters in het zenuwstelsel van de kakkerlak. Afbeelding 2 geeft een schakeling weer van zenuwcellen bij insecten. De pijlen geven de richting van de impulsen aan. Zenuwcel B is een schakelzenuwcel. Drie plaatsen op de zenuwcellen zijn met de letters P, Q en R aangegeven.
Is zenuwcel A in afbeelding 2 een motorische of een sensorische zenuwcel? Op welke plaats werkt het neurotoxine?
motorische zenuwcel; plaats Q
motorische zenuwcel; plaats R
sensorische zenuwcel; plaats Q
sensorische zenuwcel; plaats R
D
Rivierkreeften zijn geleedpotigen die leven in riviertjes, sloten en plassen. In tabel 1 staat een overzicht van de in Nederland voorkomende rivierkreeften.
- Hoeveel verschillende soorten rivierkreeften komen er in Nederland voor volgens tabel 1?
- Tot hoeveel genera (geslachten) behoren deze kreeften?
7 soorten en 7 genera
4 soorten en 4 genera
7 soorten en 4 genera
4 soorten en 7 genera
Bij kreeften kan een ziekte voorkomen: de kreeftenpest.
De ziekteverschijnselen van de kreeftenpest zijn: zeer onrustig gedrag en omvallen. Daarnaast wordt een zieke kreeft overdag actief in plaats van ’s nachts. Negen tot vijftien dagen na infectie sterft het dier.
Welk orgaanstelsel van de kreeft wordt blijkbaar vooral aangetast door de kreeftenpest?
zenuwstelsel
bloedvatenstelsel
beenderstelsel
verteringsstelsel
D1
De enige plek in Nederland waar de Europese rivierkreeft nog voorkomt, is een vijver op een landgoed bij Arnhem. Hier leeft een geïsoleerde populatie van enkele honderden individuen.
Om het aantal inheemse kreeften te vergroten is een kweekprogramma opgezet. Er wordt een klein aantal eidragende vrouwtjes uit de bedreigde populatie weggevangen. Hierna worden de jongen in aquaria opgekweekt. Als deze volwassen zijn, worden ze uitgezet op zorgvuldig geselecteerde plaatsen.
Omdat er maar een klein aantal vrouwtjes wordt gebruikt voor het kweekprogramma, kunnen de allelfrequenties van de nieuwe populaties sterk gaan afwijken van die van de oorspronkelijke populatie.
Wat is de naam van dit verschijnsel?
adaptatie
genetic drift
recombinatie
seksuele selectie
A4
Arjen de Groot maakt voor het onderzoek naar de verspreiding van de Amerikaanse rivierkreeften gebruik van zogenaamd eDNA (environmental DNA). Dit is DNA dat in het water terechtkomt via organische resten van organismen zoals huidcellen, haren, schubben, slijm of urine. Na het nemen van watermonsters wordt het eDNA geanalyseerd.
De rode Amerikaanse rivierkreeft wordt geïdentificeerd aan de hand van een merker: een klein stukje kenmerkend DNA. Als de merker in een watermonster voorkomt, betekent dit dat de rode Amerikaanse rivierkreeft aanwezig is in het water waarvan het monster is genomen.
Bij eDNA-onderzoek van een sloot worden merkers van de rode Amerikaanse rivierkreeft aangetroffen.
Kunnen deze merkers afkomstig zijn uit de poep van de rode Amerikaanse rivierkreeft? En uit de geslachtscellen van deze kreeft?
poep: ja geslachtscellen: ja
poep: ja geslachtscellen: nee
poep: nee geslachtscellen: ja
poep: nee geslachtscellen: nee
B1
Arjen de Groot maakt voor het onderzoek naar de verspreiding van de Amerikaanse rivierkreeften gebruik van zogenaamd eDNA (environmental DNA). Dit is DNA dat in het water terechtkomt via organische resten van organismen zoals huidcellen, haren, schubben, slijm of urine. Na het nemen van watermonsters wordt het eDNA geanalyseerd.
De rode Amerikaanse rivierkreeft wordt geïdentificeerd aan de hand van een merker: een klein stukje kenmerkend DNA. Als de merker in een watermonster voorkomt, betekent dit dat de rode Amerikaanse rivierkreeft aanwezig is in het water waarvan het monster is genomen.
Welke eigenschap heeft een merker waardoor deze geschikt is voor het identificeren van een soort?
Deze bevat een unieke nucleotidenvolgorde
Deze bevat unieke codons
Deze bevat unieke nucleotiden
Deze bevat unieke aminozuren
C1
In tegenstelling tot andere beren houden reuzenpanda’s niet van vlees. Het gen dat vlees hartig laat smaken (het T1R1-gen), is bij de reuzenpanda veranderd. Hierdoor heeft vlees voor reuzenpanda’s geen aantrekkelijke smaak.
Het T1R1-gen codeert voor een receptor die vlees hartig doet smaken: de umami-receptor.
Welke beschrijving van de umami-receptor is juist?
Het is een eiwit dat wordt uitgescheiden met het speekselvocht.
Het is een eiwit in het celmembraan van smaakzintuigcellen.
Het is een enzym dat genexpressie regelt.
Het is een enzym in het cytoplasma van smaakzintuigcellen.
C2
In tegenstelling tot andere beren houden reuzenpanda’s niet van vlees. Het gen dat vlees hartig laat smaken (het T1R1-gen), is bij de reuzenpanda veranderd. Hierdoor heeft vlees voor reuzenpanda’s geen aantrekkelijke smaak.
Het T1R1-gen codeert voor een receptor die vlees hartig doet smaken: de umami-receptor.
Bij de reuzenpanda is een mutatie van het T1R1-gen verantwoordelijk voor niet-werkzame umami-receptoren.
Kan deze mutatie een genoommutatie of een puntmutatie zijn?
geen van beide
alleen een puntmutatie
alleen een genoommutatie
zowel een genoommutatie als een puntmutatie
Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied.Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei.Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen.Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.
Welke leerling geeft een juist voorbeeld?
Kweker 1: Dat komt doordat de biotische omstandigheden in de boomgaard voor de fruitspintmijten zeer gunstig zijn.Kweker 2: Dat komt doordat de fruitspintmijten door hun voedselspecialisatie alleen in een fruitboomgaard kunnen leven.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
Wat betekent dit voor het werkelijke aantal dieren waaruit deze populatie bestaat?
Over de beschreven veranderingen in de plantengroei op de plek waar de bomen zijn gekapt, doen twee leerlingen een bewering:Arnold: "De beschreven veranderingen in de plantengroei op die plek zijn een voorbeeld van successie."Marije: "Dat er veranderingen zijn in de plantengroei op die plek is uitsluitend een gevolg van veranderingen in biotische factoren."
Van welke leerling of van welke leerlingen is de bewering juist?
Welke van de volgende beweringen geeft één van die oorzaken juist weer?
In het lichaam van de mens leggen de Schistosoma-wormpjes (1) per dag duizenden eitjes, die met de urine en de ontlasting (2) in het water kunnen terechtkomen. Wanneer deze eitjes in het water terechtkomen, ontstaan daaruit larven (3, 4 en 5) die zoetwaterslakken (6) binnendringen. In de slak gaat deze larve over in een ander larvaal stadium. In dit stadium verlaat de larve het lichaam van de slak (7) en dringt via de huid het lichaam van een mens binnen. Daar groeit hij weer uit tot een volwassen worm (1).
Welke voedselrelatie bestaat er tussen Schistosoma en de mens?
In het hele terrein Nuwendoorn heeft de mens ingegrepen en komen dus geen natuurlijke ecosystemen voor. Indien men het beheer van het terrein zou stoppen zou in de verschillende kunstmatige ecosystemen een climaxvegetatie kunnen ontstaan.
Welk ecosysteem op het terrein van Nuwendoorn moet de langste successiereeks ondergaan om zich tot een climaxvegetatie te ontwikkelen?
Welke ecologische rol spelen de in de tekst genoemde bacteriën?
Deze bacteriën voorzien Riftia van voedingsstoffen en worden door Riftia weer van zuurstof en sulfide voorzien.
Welk type relatie is het meest waarschijnlijk tussen Riftia en de bacteriën?
Welke abiotische factor is vooral verantwoordelijk voor het opschuiven van de verschillende vegetatiezones in de Andes?
Met welke biologische term wordt de relatie tussen de larve en de bacteriën aangeduid?
Op een bepaald moment wordt het water van een sloot vervuild met organische stoffen.
Zal daardoor als eerste een toename optreden van het aantal consumenten, van het aantal producenten of van het aantal reducenten in deze sloot?
