wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Vlekkeloos STIJL 1

Total questions: 21

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Welk woord is GEEN aanwijzend voornaamwoord?

a)

die

b)

deze

c)

dan

d)

dit

e)

dat

2.

Voor onzijdige zelfstandige naamwoorden kun je het lidwoord 'het' zetten.

a)

waar

b)

niet waar

3.

Voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden, kun je het lidwoord 'de' zetten.

a)

waar

b)

niet waar

4.

Ik heb een boek gekocht en ik ga die lezen.

a)

Goed

b)

Fout

5.

Ik heb in je auto gereden, die rijdt lekker.

a)

Goed

b)

Fout

6.

Wij hebben dit bericht naar die meisje doorgestuurd.

a)

DIT is goed, DIE is fout.

b)

DIT is fout, DIE is fout.

c)

DIT is goed, DIE is goed.

d)

DIT is fout, DIE is goed.

7.

De aanwijzende voornaamwoorden DEZE en DIE verwijzen beide naar de-woorden.

a)

Goed

b)

Fout

8.

De aanwijzende voornaamwoorden DIT en DAT verwijzen beide naar het-woorden.

a)

Goed

b)

Fout

9.

Dat is iets DAT ik veel eerder had moeten vragen.

a)

Goed

b)

Fout

10.

Ik geef je alles WAT je maar wil.

a)

Goed

b)

Fout

11.

Als ik na school thuiskom, moet ik werken, WAT ik best leuk vindt.

a)

Goed

b)

Fout

12.

Als je dat boek gelezen hebt, wil ik DIE graag lenen.

a)

Goed

b)

Fout

13.

Het boek WAT ik lees, is best spannend.

a)

Goed

b)

Fout

14.

De folder is interessant. DEZE mag je meenemen.

a)

Goed

b)

Fout

15.

Wat is goed?

a)

De vriend waarin zij vertrouwen heeft.

b)

De situatie waarin zij zit, is vervelend.

16.

Wat is goed?

a)

De bank waarop je zit, is nieuw.

b)

De jongen waarop je rekent, komt vaak te laat.

17.

Wat is goed? Het gaat om een zin op een geboortekaartje.

a)

Sophie is haar naam, waarmee we erg blij zijn.

b)

Sophie is haar naam, met wie we erg blij zijn.

18.

Wat is goed?

a)

De jongen waarover je praat, is mijn broer.

b)

De jongen over wie je praat, is mijn broer.

19.

Wat is goed?

a)

De dame van wie ik een pen leende, is vertrokken.

b)

De dame waarvan ik een pen leende, is vertrokken.

20.

Wat is goed?

a)

De man waaraan hij zich ergerde, werd kwaad.

b)

De man aan wie hij zich ergerde, werd kwaad.

21.

Maak nu opdracht 5 en 6 op pagina 118.

a)

Dat ga ik meteen doen!

b)

Nee hoor, geen zin...