wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

vogels

Total questions: 39

Worksheet time: 27mins

Name
Class
Date
1.

Welk van onderstaande antwoorden zijn voorbeelden van biotische factoren?

a)

Wind

b)

Voedselaanbod

c)

Bodemvochtigheid

d)

Soortgenoten

2.

Hieronder staan vier definities van ecologie. Welke is de beste?

a)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en andere organismen onderzoekt

b)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en hun milieu onderzoekt

c)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en abiotische factoren onderzoekt

d)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en biotische factoren onderzoekt

3.

Wat voor een consument is de vlinder?

a)

Consument van de eerste orde

b)

Consument van de tweede orde

c)

Consument van de derde orde

d)

De vlinder is geen consument

4.

In een sloot komen de volgende organismen voor:

1 snoek

2 algen

3 watervlo

4 baars

5 stekelbaars

Hoe ziet de juiste voedselketen er uit?

a)

3 --> 2 --> 4 --> 5 --> 1

b)

2 --> 3 --> 5 --> 4 --> 1

c)

2 --> 5 --> 3 --> 4 --> 1

d)

1 --> 4 --> 5 --> 3 --> 2

5.

In de vacht van vossen leven vlooien die bloed uit de huid opzuigen. Verder komen in de vacht van vossen ook bacteriën voor die van dode huidcellen leven. Welke van deze organismen behoren tot reducenten?

a)

Vossen

b)

Vlooien

c)

Bacteriën

6.

Twee uitspraken:


Marion zegt: De tweede schakel in een voedselketen kan een vleeseter zijn

Gerben zegt: De derde schakel in een voedselketen kan een alleseter zijn


Wie heeft gelijk?

a)

Beide hebben gelijk

b)

Marion heeft gelijk, Gerben niet

c)

Gerben heeft gelijk, Marion niet

d)

Niemand heeft gelijk

7.

Hieronder is de fotosynthese schematisch weergegeven.


water + koolstofdioxide + 1 --> 2 + zuurstof


Wat moet er ingevuld worden bij 2?

a)

Water

b)

Energie

c)

Licht

d)

Glucose

8.

Welke rol spelen bacteriën en schimmels in de kringloop van stoffen?

a)

Ze doen aan fotosynthese

b)

Ze zorgen dat niet biologisch afbreekbaar afval weer wordt opgeruimd

c)

Ze zorgen er voor dat voedingsstoffen uit afval weer beschikbaar komen voor planten

d)

Ze zijn consumenten

9.

In een toendra-gebied leven allerlei soorten organismen samen. Hoe noem je al deze soorten bij elkaar samen in dit gebied?

a)

Ecosysteem

b)

Biotoop

c)

Populatie

d)

Levensgemeenschap

10.

Ecologie kun je bestuderen op verschillende niveaus. In welk rijtje staan ze op de juiste manier van klein naar groot?

a)

Individu - levensgemeenschap - populatie - ecosysteem

b)

Individu - populatie - ecosysteem - levensgemeenschap

c)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

d)

Populatie - individu - levensgemeemschap - ecosysteem

11.

Welke voedselketen is juist

a)

gras - koe - mens

b)

mens - koe - gras

c)

mens --> koe --> gras

d)

gras --> koe --> mens

12.

Welke 4 verschillende niveaus bestudeert de ecologie?

a)

mensen, dieren, planten en levenloze natuur

b)

individu, populatie, levensgemeenschap en ecosysteem

c)

producenten, consumenten, reducenten en afvaleters

d)

producenten, consumenten 1e orde, cons. 2e orde, cons. 3e orde

13.
Een soortgenoot is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
14.
De zon is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
15.
In deze afbeelding zie je een:
a)
levensgemeenschap
b)
individu
c)
biotoop
d)
populatie
16.
Hoe noem je alle biotische en abiotische factoren samen?
a)
ecosysteem
b)
bioom
c)
biotoop
d)
biosfeer
17.
Hoe noem je alle biotische factoren samen.
a)
ecosysteem
b)
biotoop
c)
levensgemeenschap
d)
niche
18.
Een prooidier is een abiotische factor.
a)
Juist
b)
Onjuist
19.
De kikker is een consument van de tweede orde.
a)
juist
b)
onjuist
20.
Hoe noemen we de groene planten in een voedselketen?
a)
autotroof
b)
heterotroof
c)
consumenten
d)
producenten
21.
Het koolmeesje is ...
a)
een producent.
b)
een consument van de eerste orde.
c)
een consument van de tweede orde.
d)
een consument van de derde orde.
22.
Hoe noemen we de bacteriën en schimmels in een voedselketen?
a)
afvaleters
b)
consumenten
c)
reducenten
23.
Een rups is ...
a)
autotroof.
b)
een consument van de eerste orde.
c)
omnivoor.
d)
een producent.
24.
Welke schakel in een voedselketen vormt altijd de basis?
a)
planten
b)
kleine diertjes
c)
kleine vogels
d)
roofvogel
25.
In een ecosysteem schommelen de populaties rondom een biologisch evenwicht.
a)
juist
b)
onjuist
26.
Het proces dat je in de afbeelding ziet noemen we....
a)
aanpassing.
b)
successie.
c)
biologisch evenwicht.
d)
optimaal.
27.

Hieronder staan vier definities van ecologie. Welke is de beste?

a)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en andere organismen onderzoekt

b)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en hun milieu onderzoekt

c)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en abiotische factoren onderzoekt

d)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en biotische factoren onderzoekt

28.

Welk van onderstaande antwoorden zijn voorbeelden van biotische factoren?

a)

Wind

b)

Voedselaanbod

c)

Bodemvochtigheid

d)

Soortgenoten

29.

Wat voor een consument is de vlinder?

a)

Consument van de eerste orde

b)

Consument van de tweede orde

c)

Consument van de derde orde

d)

De vlinder is geen consument

30.

Welke rol spelen bacteriën en schimmels in de kringloop van stoffen?

a)

Ze doen aan fotosynthese

b)

Ze zorgen dat niet biologisch afbreekbaar afval weer wordt opgeruimd

c)

Ze zorgen er voor dat voedingsstoffen uit afval weer beschikbaar komen voor planten

d)

Ze zijn consumenten

31.

Een konijn is een ...

a)

planteneter

b)

alleseter

c)

vleester

32.

Een leeuw is een....

a)

planteneter

b)

alleseter

c)

vleeseter

33.

Biotische factoren zijn

a)

invloeden afkomstig van de levenloze natuur

b)

invloeden afkomstig van de levende natuur

c)

invloeden afkomstig van zon, wind, water

34.

Wat is de definitie van een populatie

a)

een groep individuen van verschillende soorten in een bepaald gebied

b)

een groep organismen in een bepaald gebied

c)

een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied , die zich onderling voortplanten

d)

een groep individuen die veel op elkaar lijken

35.
een leeuw is een
a)
reducent
b)
consument
c)
producent
36.

Wat is het verschil tussen een voedselweb en een voedselketen?

a)

In een voedselketen zie je wie door wie wordt gegeten. In een voedselweb zie je verschillende voedselketens met meerdere schakels.

b)

In een voedselweb zie je wie door wie wordt gegeten. In een voedselketen zie je verschillende voedselketens met meerdere schakels.

37.

Hoe noem je een dier dat alleen maar planten eet?

a)

omnivoor

b)

herbivoor

c)

carnivoor

38.

Dit is het gebit van een ...

a)

herbivoor

b)

omnivoor

c)

carnivoor

39.

Een hond heeft grote hoektanden en kiezen om gemakkelijk vlees te verscheuren.

a)

Waar

b)

Niet-waar