wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ademhalingsstelsel GNK

Total questions: 43

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.
Functie van de ademhaling is:
a)
zuurstof opname en koolstofdioxide afgifte
b)
zuurstof afgifte en koolstofdioxide opname
c)
zuurstof opname 
d)
koolstofdioxide afgifte
2.
De voornaamste functie van het strottenklepje is:
a)
geen voedsel via mondholte naar neusholte laten   gaan
b)
geen voedsel via mondholte naar luchtpijp laten   gaan
c)
geen lucht via mondholte naar slokdarm laten gaan
d)
geen lucht via neusholte naar slokdarm laten gaan
3.

Wat is de goede volgorde van luchtstroom bij inademing:

a)

luchtpijp, aveoli, bronchus, bronchioli

b)

bronchioli, aveoli, bronchus

c)

luchtpijp, bronchus, bronchioli

d)

luchtpijp, bronchus, bronchioli, aveoli

4.
Het is beter door de neus in te ademen omdat:
a)
de lucht in de neus voorverwarmd wordt
b)
. de lucht in de neus vochtig gemaakt wordt
c)
je dan ruikt wat je inademt
d)
zowel a, b als c zijn goed
5.
Met ademhalingsfrequentie bedoelen we:
a)
de hoeveelheid lucht die in de longen kan
b)
de grootte van de longen
c)
het aantal ademhalingen per minuut
d)
de belangrijkste ademhalingsziekten
6.

Een ander woord voor longblaasjes is:

a)

bronchioli

b)

hoofdbronchien

c)

aveoli

d)

trachea

7.
Waar bevindt zich een netwerk van haarvaten in de longen:
a)
om de hoofdluchtpijp
b)
om de luchtpijptakken
c)
om de keelholte
d)
om de aveoli
8.
Wat bevindt zich in het strottenhoofd:
a)
longblaasjes
b)
stembanden
c)
klieren
d)
beenderen
9.
De luchtpijp is versterkt met
a)
cirkelvormige kraakbeenringen
b)
spierweefsel
c)
hoefijzervormige kraakbeenringen
d)
. beenderen
10.

De bovenste luchtwegen bestaan uit?

a)

neusholte, mondholte, keelholte

b)

luchtpijp, luchtpijptakken, longen

c)

neusholte, keelholte, strottenhoofd, slokdarm

d)

neusholte, strottenhoofd, longen

11.
Een ander woord voor luchtpijp  is:
a)
aveoli
b)
trachea
c)
bronchioli
d)
hoofdbronchien
12.
Het binnenste longvlies is vergroeid met:
a)
longweefsel 
b)
borstvlies
c)
borstkas
d)
diafragma
13.
Tussen beide longvliezen bevindt zich:
a)
de longen
b)
de pleuraholte
c)
het diafragma
d)

lucht

14.

De snelheid en diepte van de ademhaling wordt geregeld vanuit de hersenstam

a)

dit is juist

b)

dit is onjuist

15.
Welke spier(en) is/zijn betrokken bij de buikademhaling?
a)
De tussenribspieren
b)
Het diafragma
c)
De spieren van de schoudergordel
d)
Alle bovengenoemde spieren zijn juist
16.

Welke prikkel is sterker als het gaat om het reguleren van de ademhaling?

a)

De zuurstof prikkel

b)

De koolstofdioxide prikkel

17.

Van een zorgvrager is de vitale capaciteit 4 liter, het reservevolume is 1 liter. Wat is de totale longcapaciteit van deze zorgvrager?

a)

3 liter

b)

4 liter

c)

5 liter

d)

6 lite

18.

De totale capaciteit van een zorgvrager is 7 liter. Het reservevolume is 2 liter. Wat is bij deze zorgvrager de vitale capaciteit?

a)

4 liter

b)

5 liter

c)

6 liter

d)

9 liter

19.

Wat is het gemiddelde ademteugvolume?

a)

0,5 liter

b)

1 liter

c)

4,5 liter

d)

6 liter

20.

Welke structuur behoort tot het respiratoir membraan?

a)

De neus

b)

Het strottenhoofd

c)

De luchtpijp

d)

De longblaasjes

21.

Wat is surfactant?

a)

Een longblaasje

b)

Een luchtpijipvertakking

c)

Een surveillant

d)

Een laagje vloeistof in de longblaasjes

22.

Wat behoort niet tot de anatomische dode ruimte?

a)

neus

b)

strottenhoofd

c)

luchtpijp

d)

longblaasjes

23.

Wat behoort tot de alveolaire dode ruimte?

a)

De luchtpijp

b)

De luchtpijpvertakkingen

c)

Longblaasjes die worden doorbloed

d)

Longblaasjes die niet worden doorbloed

24.

Waar vindt diffusie plaats?

a)

In de luchtpijp

b)

In de luchtpijpvertakkingen

c)

In de neusholte

d)

In de longblaasjes

25.

Waarin bevindt zich meer zuurstof?

a)

In de buitenlucht

b)

In de lucht in de longblaasjes

26.

Waarin bevindt zich meer koolstofdioxide?

a)

In de buitenlucht

b)

In de lucht in de longblaasjes

27.

Tot welke bloedsomloop behoort de longslagader?

a)

De kleine bloedsomloop

b)

De grote bloedsomloop

28.

Tot welke bloedsomloop behoort de bronchiale slagader?

a)

Tot de kleine bloedsomloop

b)

Tot de grote bloedsomloop

29.

Hemoglobine is een:

a)

Vetzuur

b)

Eiwit

c)

Hormoon

d)

Bloedplaatje

30.

Welk type hemoglobine bevat zuurstof?

a)

Oxyhemoglobine

b)

Deoxyhemoglobine

31.

Het Latijnse woord voor luchtpijp is:

a)

Larynx

b)

Trachea

c)

Farynx

d)

Bronchus

32.

Het Latijnse woord voor longblaasjes is:

a)

alveoli

b)

ravioli

c)

fusilli

d)

bronchioli

33.

Het Latijnse woord voor luchtpijpvertakking is:

a)

Larynx

b)

Farynx

c)

Bronchus

d)

Hallux

34.

Welke aandoeningen behoren tot de meest voorkomende comorbiditeiten bij COPD?

a)

osteoporose, diabetes mellitus, hartfalen

b)

longkanker, hypothyreoïdie, angina pectoris

c)

depressie, epilepsie, reumatoïde artritis

35.

Stridor is:

a)

Een afwijkende hartruis

b)

Een afwijkend ademgeluid

c)

Een vorm van COPD

d)

Een kwaadaardige longtumor

36.

Rhonchi zijn reutelende geluiden tijdens het ademen en komen door:

a)

veel slijm in de longen

b)

vergrote keelamandelen

c)

pleurawrijven

d)

te weinig slijm in de longen

37.

De medische term voor kortademigheid is:

a)

stridor

b)

crepitaties

c)

dyspnoe

d)

apnoe

38.

Een astma exacerbatie is:

a)

een medicijn tegen astma dat pas bij ernstige astma klachten wordt toegediend

b)

een oorzaak van astma

c)

een vermindering van de astmatische klachten

d)

een verergering van de astmatische klachten

39.

Salbutamol is een:

a)

Kortwerkende luchtwegverwijder

b)

Kortwerkende luchtwegverwijderaar

c)

Langwerkende luchtwegverwijder

d)

Langwerkende luchtwegverwijderaar

40.

COPD is een verzamelnaam voor:

a)

Astma en longemfyseem

b)

Chronische bronchitis en longemfyseem

c)

Acute en chronische bronchitis

d)

Astma en chronische bronchitis

41.

Welk ziektebeeld is hier afgebeeld?

a)

Astma

b)

Chronische bronchitis

c)

Longemfyseem

d)

Pleuritis

e)

Pneumonie

42.

Om risicofactoren voor het ontstaan van COPD te verminderen is het verstandig om:

a)

te investeren in een luxe koffiemachine met koffiebonen

b)

te investeren in een krachtige afzuigkap in de keuken

c)

te investeren in een ouderwetse gezellige houtkachel

d)

te investeren in een 4K Ultra HD TV

43.

Welk ziektebeeld zie je hier afgebeeld en bij welke vorm van pleuritis kan dit ontstaan?

a)

Dit is een empyeem, dit kan ontstaan bij een natte pleuritis

b)

Dit is een abces, dit kan ontstaan bij een droge pleuritis

c)

Dit is een empyeem, dit kan ontstaan bij een droge pleuritis

d)

Dit is een abces, dit kan ontstaan bij een natte pleuritis