wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

BIO Voeding en vertering KGT bs 1 tm 3

Total questions: 38

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.
Alle producten die je eet of drinkt noem je
a)
Voedingsproducten
b)
Voedsel
c)
Voedingsmiddelen
2.

Een ei hoort bij ........................voedingsmiddelen

a)

plantaardige

b)

dierlijke

3.

Wat zijn voedingsstoffen?

a)

Alles wat je eet en drinkt

b)

de bruikbare bestanddelen van het eten en drinken

4.
Dit is een 
a)
voedingsmiddel
b)
voedingsstof
5.
De functie van voedingsvezels is het bevorderen van de darmperistaltiek
a)
Juist
b)
Onjuist
6.

Welke groepen van voedingsstoffen zijn er?

a)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten en vitaminen

b)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, mineralen, water en vitaminen

c)

Eiwitten, vetten, mineralen, zouten, water en vitaminen

d)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten, mineralen, water en vitaminen

7.
Onder beschermende stoffen vallen de 
a)
Koolhydraten en vetten
b)
mineralen en vitaminen
c)
Water en vitaminen
d)
Vitaminen en voedingsstoffen
8.

Koolhydraten en vetten zijn........................

a)

bouwstoffen

b)

beschermende stoffen

c)

reservestoffen

d)

brandstoffen

9.

Welke voedingsmiddelen zijn beter voor de goede werking van de darmen?

a)

plantaardige

b)

dierlijke

10.
Juist of onjuist? Een van de adviezen voor gezonde voeding is: 'eet minder onverzadigd vet'. 
a)
Juist
b)
Onjuist, minder verzadigd vet
11.
Deze voedingstof is bouwstof en brandstof maar geen reservestof of beschermende stof.
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Vetten
d)
Water
12.

Vitaminen dienen als reservestoffen.

a)

waar

b)

niet waar

13.

Waarvoor heeft je lichaam bouwstoffen nodig?

a)

voor het leveren van energie

b)

voor groei, ontwikkeling en herstel

c)

voor het beschermen van het lichaam tegen ziekten

d)

voor het op peil houden van de lichaamstemperatuur

14.

De functies van eiwitten zijn

a)

Bouwstoffen en brandstoffen

b)

Bouwstoffen, brandstoffen en reservestoffen

15.
Reservestoffen worden opgeslagen in bepaalde delen van je lichaam
a)
Juist
b)
Onjuist
16.

Zitten in dierlijke voedingsmiddelen voedingsvezels?

a)

Ja

b)

Nee

17.

Zijn vitaminen voedingsstoffen?

a)

ja

b)

nee

18.

Leveren brandstoffen energie?

a)

ja

b)

nee

19.

Zijn vetten bouwstoffen?

a)

ja

b)

nee

20.

Kan je lichaam reservestoffen op een later moment gebruiken?

a)

ja

b)

nee

21.

Is water een beschermende stof?

a)

ja

b)

nee

22.

Kunnen koolhydraten en vetten dienen als reservestoffen?

a)

ja

b)

nee

23.

Zitten in groente en fruit veel voedingsvezels?

a)

ja

b)

nee

24.

Dit wordt gemaakt in de lever en niet in de galblaas

a)

speeksel

b)

alvleessap

c)

gal

d)

maagsap

25.

Dit sap maakt bacteriën dood

a)

alvleessap

b)

maagsap

c)

gal

d)

darmsap

26.

dit sap maakt van grote vetdruppels kleine vetdruppels

a)

maagsap

b)

gal

c)

alvleessap

d)

speeksel

27.

Nummer 2 is de

a)

maag

b)

lever

c)

dikke darm

d)

slokdarm

28.

Nummer 7 is de

a)

maag

b)

dunne darm

c)

lever

d)

alvleesklier

29.

nummer 9 is de

a)

slokdarn

b)

twaalfvingerige darm

c)

dunne darm

d)

dikke darm

30.

Nummer 11 is de

a)

slokdarm

b)

twaalfvingerige darm

c)

dunne darm

d)

dikke darm

31.

verteerde voedingsstoffen worden opgenomen in het bloed in nummer

a)

2

b)

3

c)

11

d)

9

32.

de galblaas is nummer

a)

7

b)

8

c)

6

d)

10

33.

Deze voedingsstoffen moeten wel verteerd worden

a)

mineralen water en vet

b)

eiwitten vet en vitamines

c)

eiwitten vet en koolhydraten

d)

koolhydraten eiwitten en water

34.

De kneedbewegingen van je darm zijn de (goed lezen!)

a)

periklastische bewegingen

b)

perilastische bewegingen

c)

peristaltische bewegingen

d)

sperliatische bewegingen

35.

De wand van de dunne darm bestaat uit darmvlokken en

a)

darmlippen

b)

darmplooien

c)

darmvliezen

d)

darmpjes

36.

Het laatste stukje darm

a)

slokdarm

b)

dunne darm

c)

endeldarm

d)

dikke darm

37.

Deze voedingsstoffen hoeven niet verteerd te worden

a)

eiwitten, vetten en koolhydraten

b)

glucose, water, vetten en koolhydraten

c)

glucose, water, mineralen en vitamines

d)

eiwitten, vetten, mineralen en vitamines

38.

Wat zijn enzymen?

a)

zij versnellen scheikundige reacties in het lichaam en zorgen voor een snellere afbraak van voedingsstoffen

b)

veteringssappen

c)

ziekteverwekkers

d)

zij zorgen voor een scheikundige reactie in het lichaam en zorgen voor een langzame afbraak van voedingsstoffen