Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

L2_HavoVWO_T3_bloedsomloop_BS12358

Total questions: 35

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Welk groot bloedvat ontspringt uit de rechterkamer van het hart?

a)

longader

b)

longslagader

c)

aorta

d)

holle ader

2.

Wat is het grootste bloedvat van ons lichaam?

a)

aorta

b)

longslagader

c)

poortader

d)

borstbuis

3.

Wat is een belangrijk kenmerk van aders?

a)

Aders transporteren het bloed naar het hart toe

b)

Aders wisselen vocht uit met het omliggende weefsel

c)

Aders hebben geen kleppen

d)

Aders transporteren het bloed van het hart af

4.

Op deze afbeelding zie je

a)

Rode bloedcellen

b)

Witte bloedcellen

c)

Bloedplaatjes

d)

Bacteriën

5.

Wat is de functie van deze bloedcel

a)

Ziekteverwekkers bestrijden

b)

Zuurstof vervoeren

c)

Bloed laten stollen

6.

Welke soort cellen kunnen door de wand van het bloedvat heen?

(a)  

7.

Het bloedplasma bestaat uit drie elementen; plasma-eiwitten, opgeloste stoffen en ...

(a)  

8.

Geeft zuurstof af aan alle organen

a)

kleine bloedsomloop

b)

grote bloedsomloop

9.

Welk nummer is de longader?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

7

10.

Welk nummer is de hartklep?

a)

4

b)

5

c)

6

d)

7

11.

Welk nummer is de linker kamer?

a)

4

b)

5

c)

6

d)

3

12.

Welk nummer is de linkerboezem?

a)

4

b)

5

c)

6

d)

7

13.

Welk nummer is de holle ader?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

7

14.

Welk nummer is de aorta

a)

1

b)

2

c)

3

d)

7

15.

Welk nummer is de longslagader?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

7

16.

Welke bestanddeel komt het meest in bloed voor?

a)

Witte bloedcellen

b)

Rode bloedcellen

c)

Bloedplaatjes

17.

Bekijk de afbeelding

Welk letter geeft een antigeen aan?

a)

P

b)

Q

c)

R

18.

Iemand die immuun is voor mazelen kan nog wel waterpokken krijgen

a)

waar

b)

niet waar

19.

Welke naam heeft nummer 11?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

20.

De kleine bloedsomloop heeft als doel..

a)

zuurstof afgeven en koolstofdioxide opnemen

b)

zuurstof opnemen en koolstofdioxide afgeven

21.

Kijk goed naar de afbeelding. Als de kamers vollopen met bloed zijn de hartkleppen ...

a)

open

b)

gesloten

22.

Kijk goed naar de afbeelding. Als de kamers zich samentrekken zijn de hartkleppen ...

a)

open

b)

gesloten

23.

Een antistof is..

(twee antwoorden zijn goed)

a)

Lichaamseigen

b)

Lichaamsvreemd

c)

Iets dat gemaakt wordt door witte bloedcellen

d)

Iets dat gemaakt wordt door de rode bloedcellen

24.

Joke denkt dat ze besmet is met een virus. Haar moeder zegt dat ze geen koorts heeft en dus niet besmet is. Heeft de moeder van Joke gelijk?

a)

Ja, want als je besmet bent heb je koorts

b)

Nee, want als je besmet bent, merk je in het begin soms niets (incubatietijd).

25.

Natuurlijk immuniteit is...

a)

wanneer je natuurlijke antistoffen ingespoten krijgt

b)

wanneer je kunstmatige antistoffen ingespoten krijgt

c)

wanneer je zelf natuurlijke antistoffen maakt

d)

wanneer je zelf kunstmatige antistoffen maakt

26.

Kunstmatige immuniteit is...

a)

...als je een vaccin toegediend krijgt

b)

...als je witte bloedcellen ingespoten krijgt

c)

...als jouw lichaam zelf antistoffen aanmaakt na een vaccinatie

d)

... als jouw lichaam zelf antigenen aanmaakt na een vaccinatie

27.
Wat zit er in een vaccin?
a)
Medicijnen
b)
Antistoffen
c)
Verzwakte ziekteverwekkers
d)
Goede bacteriën
28.

............................. zijn herkenningspunten aan de buitenkant van een cel. Hieraan kun je een cel herkennen.

a)

Antistoffen

b)

Bacteriën

c)

Antigenen

d)

Vaccinatie

29.

Wat bepaalt een bloedgroep?

a)

De antigenen op de witte bloedcellen

b)

De antigenen op de rode bloedcellen

c)

De antistoffen die je aanmaakt

d)

Er is maar 1 soort bloed

30.

Wat gebeurt er als je de verkeerde bloedgroep krijgt bij een transfusie?

a)

Niks

b)

Rode bloedcellen klonteren

c)

Rode bloedcellen barsten

d)

Witte bloedcellen klonteren

31.

Welke bloedgroep is de algemene donor?

a)

A

b)

B

c)

AB

d)

O

32.

Welke antigenen heeft iemand met bloedgroep AB op zijn cellen?

a)

geen antigenen

b)

antigeen a

c)

antigeen a en antigeen b

d)

antigeen b

33.

Een slachtoffer heeft bloedgroep A. Wat voor donorbloed kan deze persoon ontvangen?

a)
Bloedgroep 0
b)
Bloedgroep B
c)
Bloedgroep AB
34.
Bij welk type bloedvaten kunnen witte bloedcellen door de wand heen?
a)
Slagaders
b)
Aders
c)
Haarvaten
d)
Poortader
35.
Op het celmembraan van de rode bloedcel van iemand met bloedgroep A bevindt zich: 
a)
Antistof A
b)
Antistof B
c)
Antigeen A
d)
Antigeen B