Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Zenuwstelsel en Zenuwcellen

Total questions: 43

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.

Noem 2 vaktermen die horen bij het zenuwstelsel

2 lines
2.

Wat is het zenuwstelsel?

a)

Het zenuwstelsel is het spijsverteringssysteem

b)

Het zenuwstelsel is het systeem van zenuwen en zenuwcellen dat signalen door het lichaam stuurt.

c)

Het zenuwstelsel is het skeletspierstelsel

d)

Het zenuwstelsel is het ademhalingssysteem

3.

Wat zijn de functies van het zenuwstelsel?

a)

Waarnemen van prikkels en het doorgeven van impulsen

b)

Het doorgeven en verwerken van impulsen.

c)

De homeostase van het lichaam bewaken.

4.

Wat zijn de belangrijkste onderdelen van het zenuwstelsel?

a)

hart, longen en lever

b)

maag, darmen en nieren

c)

hersenen, ruggenmerg en zenuwen

d)

huid, spieren en botten

5.

Wat zijn zenuwcellen en wat is hun functie?

a)

Zenuwcellen zijn spiercellen en hun functie is om voedingsstoffen te transporteren

b)

Zenuwcellen zijn botcellen en hun functie is om zuurstof op te nemen

c)

Zenuwcellen zijn de basisbouwstenen van het zenuwstelsel. Hun functie is om signalen te ontvangen, te verwerken en door te geven aan andere cellen of organen.

d)

Zenuwcellen zijn bloedcellen en hun functie is om afvalstoffen af te breken

6.

Wat is de anatomie van een zenuwcel?

a)

De anatomie van een zenuwcel omvat de celwand, chloroplasten, en vacuolen.

b)

De anatomie van een zenuwcel omvat de bloedvaten, spieren, en botten.

c)

De anatomie van een zenuwcel omvat de longen, luchtpijp, en neusgaten.

d)

De anatomie van een zenuwcel omvat de celkern, dendrieten, axon, myelineschede en synapsen.

7.

Wat is het verschil tussen grijze en witte stof in het zenuwstelsel?

a)

Grijze stof bestaat uit bloedvaten en witte stof bestaat uit hersenvocht.

b)

Grijze stof bestaat voornamelijk uit cellichamen van zenuwcellen en witte stof bestaat voornamelijk uit zenuwvezels.

c)

Grijze stof bestaat uit zenuwvezels en witte stof bestaat uit cellichamen van zenuwcellen.

d)

Grijze stof bestaat uit vetcellen en witte stof bestaat uit bloedcellen.

8.

Wat is myeline en wat is de rol ervan in het zenuwstelsel?

a)

Myeline is een enzym dat de snelheid van zenuwimpulsen vermindert

b)

Myeline is een neurotransmitter die zenuwimpulsen vertraagt

c)

Myeline is een soort spierweefsel dat zenuwcellen beschermt

d)

Myeline is een isolerende laag die de zenuwvezels bedekt en helpt bij het snel en efficiënt doorgeven van zenuwimpulsen.

9.

Wat zijn de cellen van Schwann en waar bevinden ze zich?

a)

Oligodendrocyten, centrale zenuwstelsel

b)

Schwann-cellen, perifeer zenuwstelsel

c)

Astrocyten, perifeer zenuwstelsel

d)

Schwann-cellen, centrale zenuwstelsel

10.

Wat zijn actiepotentialen en hoe worden ze gegenereerd?

a)

Actiepotentialen worden gegenereerd door de verandering in de membraanpotentiaal van een spiercel, veroorzaakt door de instroom van kaliumionen en de uitstroom van natriumionen.

b)

Actiepotentialen worden gegenereerd door de verandering in de membraanpotentiaal van een zenuwcel, veroorzaakt door de instroom van zuurstofionen en de uitstroom van waterstofionen.

c)

Actiepotentialen worden gegenereerd door de verandering in de membraanpotentiaal van een zenuwcel, veroorzaakt door de instroom van natriumionen en de uitstroom van kaliumionen.

d)

Actiepotentialen worden gegenereerd door de verandering in de membraanpotentiaal van een zenuwcel, veroorzaakt door de instroom van calciumionen en de uitstroom van chloorionen.

11.

Wat is de rol van ionenstromen bij het genereren van actiepotentialen?

a)

Ionenstromen veroorzaken veranderingen in de membraanpotentiaal

b)

Actiepotentialen worden gegenereerd door lichtdeeltjes

c)

Actiepotentialen worden veroorzaakt door geluidsgolven

d)

Ionenstromen hebben geen invloed op actiepotentialen

12.

Wat is het centraal zenuwstelsel en wat zijn de belangrijkste onderdelen ervan?

a)

Het centraal zenuwstelsel bestaat uit de lever en de maag.

b)

Het centraal zenuwstelsel bestaat uit de botten en de spieren.

c)

Het centraal zenuwstelsel bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg.

d)

Het centraal zenuwstelsel bestaat uit de longen en de nieren.

13.

Wat is het perifeer zenuwstelsel en wat zijn de belangrijkste onderdelen ervan?

a)

Het perifere zenuwstelsel bestaat uit zenuwen en ganglia.

b)

Het perifere zenuwstelsel bestaat uit bloedvaten en organen.

c)

Het perifere zenuwstelsel bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg.

d)

Het perifere zenuwstelsel bestaat uit spieren en botten.

14.

Hoe worden signalen doorgegeven tussen het centraal zenuwstelsel en het perifeer zenuwstelsel?

a)

Via zenuwcellen en neurotransmitters

b)

Via lymfevaten en witte bloedcellen

c)

Via spieren en pezen

d)

Via hormonen en bloedvaten

15.

Hoe beïnvloedt de rol van ionen de transmissie van signalen in het zenuwstelsel?

a)

Ionen hebben geen invloed op de transmissie van signalen in het zenuwstelsel

b)

Ionen veroorzaken alleen maar storing in de transmissie van signalen in het zenuwstelsel

c)

Ionen hebben alleen invloed op de spierfunctie, niet op de transmissie van signalen in het zenuwstelsel

d)

Ionen helpen bij het genereren van elektrische potentiaalverschillen en dragen bij aan de transmissie van signalen in het zenuwstelsel.

16.

Wat zijn de verschillende soorten zenuwcellen en wat zijn hun functies?

a)

Rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes met hun respectievelijke functies.

b)

Sensore neuronen, motor neuronen en interneuronen met hun respectievelijke functies.

c)

Neuronen, gliacellen en astrocyten met hun respectievelijke functies.

d)

Epitheelcellen, spiercellen en botcellen met hun respectievelijke functies.

17.

Wat is geen voorbeeld van een inwendige prikkel

a)

Aanraking

b)

Geluid

c)

Honger

d)

Geur

18.

Wanneer wordt je je bewust van je waarneming?

a)

Op het moment dat de prikkel je zintuigen binnenkomt

b)

Als de prikkel wordt omgezet in een impuls

c)

Als de impuls vervoert wordt

d)

De impuls in je hersenen aankomt.

19.

Welke volgorde is de juiste?

a)

Prikkel --> zintuig --> gevoelszenuwcel --> centrale zenuwstelsel --> bewegingszenuwcel --> spier of klier

b)

Prikkel --> zintuig --> bewegingsszenuwcel --> centrale zenuwstelsel --> gevoelszenuwcel --> spier of klier

20.

Welke onderdelen behoren tot het centraal zenuwstelsel

a)

Ruggenmerg

b)

Hersenen

c)

Zenuwen

21.

Welk begrip hoort bij de volgende beschrijving: Een elektrisch signaal dat wordt afgegeven door zenuwcellen en wordt doorgegeven aan het zenuwstelsel.

a)

Hersenen

b)

Impuls

c)

Prikkel

d)

Zintuigcellen

22.

Het centrale zenuwstelsel bestaat alleen uit de grote hersenen en de kleine hersenen.

a)

Ja

b)

Nee

23.

Hoeveel (hoofd-)soorten zenuwcellen bestaan er?

a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
24.

wat betekent adequate prikkel

a)

dat het een prikkel is die opgepikt wordt door het juiste zintuig

b)

dat elke zintuigcel deze prikkel kan verwerken

25.

welke zintuigcel is gevoeliger voor een bepaalde prikkel

a)

een zintuigcel met een lage drempelwaarde

b)

een zintuig met een hoge dremelwaarde

26.
Wat is de drempelwaarde?
a)
geluid
b)
De maximale sterkte van een prikkel
c)
Impuls
d)
De minimale sterkte van een prikkel
27.
Het centraal zenuwstelsel bestaat uit:
a)
Hersenen, Ruggenmerg en Zenuwen
b)
Hersenen 
c)
Hersenen & Ruggenmerg
d)
Hersenen & Zzenuwen
28.

Als een spier of klier wordt aangestuurd gebeurt dit door een ..

a)

schakelzenuwcel

b)

gevoelszenuwcel

c)

bewegingszenuwcel

29.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

30.

Wat voor type zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

31.

Wat voor type zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

32.

Waar bevindt het cellichaam van de motorische zenuwcel?

a)

Bij de spieren

b)

In het centraal zenuwstelsel

c)

Bij de zintuigen

33.

Waar bevindt zich het ruggenmerg?

a)

In de schedel

b)

In de wervelkolom

c)

In je bekken

d)

In je opperarmbeen

34.

Wat is een belangrijk verschil tussen een sensorische zenuwcel en motorische zenuwcel

a)

bij een sensorische zenuwcel gaat een impuls 2 kanten op, bij een motorische zenuwcel slechts 1 kant op

b)

De ligging van het cellichaam

c)

de een ligt volledig in het centrale zenuwstelsel de ander erbuiten

d)

de snelheid van impuls-transport

35.

Teken een motorische zenuwcel

36.

Benoem de nummer 1

(a)  

37.

Benoem de nummer 2

(a)  

38.

Benoem de nummer 3

(a)  

39.

Benoem de nummer 4 (meervoud)

(a)  

40.

De figuur geeft het transport van ionen weer door het celmembraan van een zenuwcel.

Buiten de cel is een hoge concentratie Na+-ionen en een lage concentratie K+-ionen. In de cel is een lage concentratie Na+-ionen en een hoge concentratie K+-ionen.

Geef voor elke pijl aan of er sprake is van actief of passief transport. Geef ook aan welk ion (Na+ of K+) verplaatst wordt.

a)

Allemaal actief transport

b)

1 en 4 zijn actief transport,

2 en 3 zijn passief transport

c)

2 en 3 zijn actief transport,

1 en 4 zijn passief transport

d)

Allemaal passief transport

41.

  Welk deel van de hersenen is verantwoordelijk voor de uitvoering van bewegingen?

4 lines
42.

Welk deel van de hersenen zorgt voor het bewustzijn en het geheugen? Geef de juiste naam en letter.

4 lines
43.

Welk deel van de hersenen regelt de lichaamstemperatuur? Geef de juiste naam en letter.

4 lines