Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Elektrotechniek p2

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de wet van Ohm en eventuele afgeleiden? Meerdere antwoorden kunnen juist zijn.

a)

R = U / I

b)

I = U * R

c)

U = I * R

d)

I = R / U

2.

Wat geven de gekleurde ringen op een weerstand aan? Meerdere antwoorden kunnen juist zijn.

a)

Waarde in Ohm

b)

Tolerantie

c)

Temperatuurcoëfficiënt

d)

Merk van producent

3.

Een accu bestaat simpel gezegd uit twee elektroden. De anode en de kathode. Daartussen bevind zich een geleidende vloeistof. Wat is de officiële naam voor deze vloeistof?

a)

Bijtende rommel

b)

Accuzuur

c)

Elektrolyt

d)

Covelante binding binnen de ionogene sfeer

4.

Welke omgevingsfactoren kunnen een elektrische spanning veroorzaken? Meerdere antwoorden kunnen goed zijn.

a)

Licht

b)

Gezelligheid

c)

Druk

d)

Temperatuur

5.

Is de voortplantingssnelheid van elektriciteit gelijk aan.....

a)

De snelheid van het geluid

b)

De snelheid van een hogesnelheidstrein

c)

De snelheid van het licht

d)

Sneller dan het licht

6.

Hoe groot is de stroomsterkte door een 60W lamp als we deze op netspanning van 230V aansluiten?

a)

0,261A

b)

0,261V

c)

0,261W

d)

0,261G

7.

Door de achterruitverwarming van een auto met 12V vloeit een stroom van 5A. Wat is het vermogen van deze verwarming?

a)

60 P

b)

2,4 W

c)

2,4 W

d)

60 W

8.

Een koperdraad heeft een weerstand van 8 ohm. Hoe groot is de weerstand van een koperdraad die 2 keer zo lang is en een 3 keer kleinere doorsnede heeft?

a)

8 / (2 x 3) = 1,3333333333 Ohm

b)

2 x 3 x 8 = 48 Ohm

c)

(2 x 3) / 8 = 0,75 Ohm

d)

Dit kun je niet berekenen.

9.

Je moet op locatie werken aan een systeem. Er kan restspanning door condensatoren aanwezig zijn. Voor de zekerheid......

a)

Trek ik mijn werkschoenen uit en ga ik in een bak met water staan.

b)

Trek ik speciale beschermingsmiddelen aan.

c)

Controleer ik of er spanning op staat met mijn tong.

d)

Meld ik mij ziek.

10.

Wat is de weerstandswaarde?

a)

220 Ohm 1/4W 5%

b)

220K Ohm 1/3W 2%

c)

4K7 Ohm 1W 1%

d)

Wooot

11.

Wat is de weerstandswaarde

a)

22 Ohm 1/4 W 2%

b)

1K Ohm 1/4 W 4%

c)

1k8 Ohm 1/4 W 3%

d)

47 Ohm 1/4w 5%

12.

Welke manier van stroom aanduiden gebruik je?

a)

De bovenste

b)

De middelste

c)

De onderste

13.

Welke wet hoort bij dit plaatje?

a)

De grondwet

b)

De tweede wet van Kirchhoff

c)

Kirchhoff

d)

De eerste wet van Kirchhoff

14.

Welke wet hoort bij dit plaatje

a)

De eerste wet van Kirchhoff

b)

Arbeidstijdenwet

c)

Wet van Boyle

d)

De tweede wet van Kirchhoff

15.

Je bent bezig met de tweede wet van Kirchhoff. Uit jouw antwoord komt een negatieve ampère, je hebt....

a)

Het juiste antwoord, maar de verkeerde richting gekozen.

b)

Een reken fout gemaakt en begint overnieuw.

c)

De tweede wet van Kirchhoff heeft niets met stroomrichting te maken.

d)

Je kijkt wat je buurman voor antwoord heeft.

16.

De polariteit bij een weerstand in een DC schakeling is....

a)

Wisselend

b)

Waar de stroom binnenkomt het hoogst

c)

Waar de stroom uitgaat het hoogst

d)

Overal gelijk

17.

Kies de juiste aanvulling in de juiste volgorde

1= Volt

2= Ohm

3= Ampère

a)

1= U

2= I

3= R

b)

1= Spanning

2= Stroom

3= Weerstand

c)

1= Stroom

2= Weerstand

3= Spanning

d)

1= U

2= R

3= I

18.

Welke wet hoort bij deze som.

a)

Wet op VvMU (Vrijheid van meningsuiting)

b)

De eerste wet van Kirchhoff

c)

De tweede wet van Kirchhoff

d)

De derde wet van Kirchhoff

19.

Door een weerstand van 39 ohm vloeit een stroom van 0,15A. Welke spanning staat er over de weerstand?

a)

Er staat geen spanning over de weerstand

b)

5,85 V

c)

260 V

d)

3,85 mV

20.

Bereken de stroom in punt P

a)

4 naar links

b)

17 naar links

c)

17 naar rechts

d)

4 naar rechts

21.

de som van de tweede wet van Kirchhoff is.....

a)

667

b)

1

c)

0

d)

48

22.

De vervangingsweerstand is 100 ohm. Bereken R1

a)

90K Ohm

b)

9000 Ohm

c)

0,9 Ohm

d)

0,9 K Ohm

23.

Wat is de waarde van Ut ?

a)

3 V

b)

4,5 V

c)

1,5 V

d)

4,5 A

24.

Wat is de spanning Ut ?

a)

36 V

b)

4 V

c)

6 V

d)

12 V

25.

Wat is de spanning Ut ?

a)

1,2 V

b)

3,6 V

c)

2,4 V

d)

0 V

26.

Deze diode heeft twee aansluitingen, de anode en de kathode.

a)

De anode is links en is de min zijde.

b)

De anode is rechts en is de plus zijde.

c)

De kathode is rechts en de min zijde.

d)

Een diode heeft drie aansluitingen

27.

Wat is de uitgangsspanning?

a)

6 V

b)

48 V

c)

12 V

d)

24 V

28.

U totaal is.....

a)

12 V

b)

36 V

c)

4 V

d)

0 V

29.

Wat voor schakeling is dit?

a)

Combinatie schakeling

b)

Parrallel schakeling

c)

Serie schakeling

d)

Hotel schakeling

30.

Wat voor schakeling is dit?

a)

Serie schakeling

b)

Parallel schakeling

c)

geïntegreerde schakeling

d)

Combinatie schakeling