wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ondernemingsvormen 2

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Een eenmanszaak

a)

mag geen personeel in dienst hebben.

b)

kan nooit meer dan één winkel hebben.

c)

is hetzelfde als een zzp'er.

d)

heeft maar één eigenaar.

2.

Het Burgerlijk Wetboek regelt

a)

alleen zaken die natuurlijke personen in hun leven tegenkomen.

b)

alleen zaken die ondernemingen tijdens hun bestaan tegenkomen.

c)

ook zaken die natuurlijke personen in hun leven tegenkomen.

d)

geen zaken die ondernemingen tijdens hun bestaan tegenkomen.

3.

Bij een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid

a)

is er geen scheiding tussen eigendom en leiding

b)

moet er bij de oprichting een notariële akte worden opgemaakt.

c)

is de continuïteit van de onderneming gewaarborgd.

d)

is het moeilijk om snel in te spelen op veranderingen in de markt.

4.

Bij een onderneming met rechtspersoonlijkheid

a)

is er geen scheiding tussen eigendom en leiding.

b)

moet er bij de oprichting een notariële akte worden opgemaakt.

c)

is de continuïteit van de onderneming slecht gewaarborgd.

d)

zijn er altijd aandelen uitgegeven.

5.

Bij een vennootschap onder firma

a)

zijn er een of meer firmanten.

b)

zijn de firmanten niet met hun privévermogen aansprakelijk.

c)

wordt de winstverdeling geregeld in de firma-akte.

d)

is er altijd een commanditaire vennoot aanwezig.

6.
Wat is ZZP?
a)
Zelfstandig zonder functie
b)
Zelfstandig zonder personeel
c)
Zelf zonder pers
d)
Zelfstandige met personeel
7.
Een eenmanszaak heeft...
a)
1 eigenaar
b)
meerdere eigenaren
c)
Het maakt niet uit
8.
Over de winst van een eenmanszaak moet ..... betaald worden
a)
dividendbelasting
b)
Inkomstenbelasting
c)
Vennootschapsbelasting
9.
Eenmanszaak is een niet-rechtspersoon
a)
Juist
b)
Onjuist
10.
Bij een vennootschap onder firma (vof)....
a)
Zijn er meerdere eigenaren
b)
Is er maar 1 eigenaar
c)
Het kan allemaal
11.
De BV is een zelfstandig rechtspersoon
a)
Juist
b)
Onjuist
12.

Over de winst van de bv moet .... betaald worden

a)

Inkomstenbelasting

b)

Vennootschapsbelasting

c)

Inkomstenbelasting en dividendbelasting

13.

Voorbeelden van ondernemingen met rechtspersoonlijkheid zijn

a)

de besloten vennootschap en de eenmanszaak.

b)

de maatschap en de naamloze vennootschap.

c)

de vof en de eenmanszaak.

d)

de besloten vennootschap en de stichting.

14.

Lees de volgende beweringen en geef het juiste antwoord.

Bewering 1: Bij de bv en nv zijn aandeelhouders hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden van de vennootschap.

Bewering 2: Bij de naamloze vennootschap zijn de aandeelhouders in principe niet bekend bij de vennootschap.

a)

Bewering 1 is waar, bewering 2 is niet waar.

b)

Bewering 1 is niet waar, bewering 2 is waar.

c)

Bewering 1 en 2 zijn allebei waar.

d)

Bewering 1 en 2 zijn allebei niet waar.

15.

Een groot nadeel van een eenmanszaak is dat de eigenaar

a)

veel werk moet verrichten om het bedrijf draaiende te houden.

b)

alle winst aan de fiscus moet afdragen.

c)

niemand heeft om een praatje mee te maken.

d)

zijn huis kan kwijtraken bij faillissement.