wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

GT 2 Thema 6 Ecologie

Total questions: 77

Worksheet time: 54mins

Name
Class
Date
1.
Een prooidier is een abiotische factor.
a)
Juist
b)
Onjuist
2.
Een soortgenoot is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
3.
De zon is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
4.
In deze afbeelding zie je een:
a)
levensgemeenschap
b)
individu
c)
biotoop
d)
populatie
5.
Hoe noem je alle abiotische factoren samen?
a)
ecosysteem
b)
bioom
c)
biotoop
d)
biosfeer
6.
Hoe noem je alle biotische en abiotische factoren samen?
a)
ecosysteem
b)
bioom
c)
biotoop
d)
biosfeer
7.

Hieronder staan vier definities van ecologie. Welke is de beste?

a)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en andere organismen onderzoekt

b)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en hun milieu onderzoekt

c)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en abiotische factoren onderzoekt

d)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en biotische factoren onderzoekt

8.

Welk van onderstaande antwoorden zijn voorbeelden van biotische factoren?

a)

Wind

b)

Voedselaanbod

c)

Bodemvochtigheid

d)

Soortgenoten

9.

Ecologie kun je bestuderen op verschillende niveaus. In welk rijtje staan ze op de juiste manier van klein naar groot?

a)

Individu - levensgemeenschap - populatie - ecosysteem

b)

Individu - populatie - ecosysteem - levensgemeenschap

c)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

d)

Populatie - individu - levensgemeemschap - ecosysteem

10.

Welke voedselketen is juist

a)

gras - koe - mens

b)

mens - koe - gras

c)

mens --> koe --> gras

d)

gras --> koe --> mens

11.
Wat is biodiversiteit?
a)
Het aantal verschillende dieren in een gebied.
b)
Het aantal verschillende soorten in een gebied.
c)
Het aantal verschillende planten in een gebied.
12.
Hoe noemen we de groene planten in een voedselketen?
a)
autotroof
b)
heterotroof
c)
consumenten
d)
producenten
13.
Het koolmeesje is ...
a)
een producent.
b)
een consument van de eerste orde.
c)
een consument van de tweede orde.
d)
een consument van de derde orde.
14.
Hoe noemen we de bacteriën en schimmels in een voedselketen?
a)
afvaleters
b)
consumenten
c)
reducenten
15.
Een rups is ...
a)
autotroof.
b)
een consument van de eerste orde.
c)
omnivoor.
d)
een producent.
16.
Welke schakel in een voedselketen vormt altijd de basis?
a)
planten
b)
kleine diertjes
c)
kleine vogels
d)
roofvogel
17.
In een ecosysteem schommelen de populaties rondom een biologisch evenwicht.
a)
juist
b)
onjuist
18.
Het proces dat je in de afbeelding ziet noemen we....
a)
aanpassing.
b)
successie.
c)
biologisch evenwicht.
d)
optimaal.
19.

Wat voor een consument is de vlinder?

a)

Consument van de eerste orde

b)

Consument van de tweede orde

c)

Consument van de derde orde

d)

De vlinder is geen consument

20.

Welke rol spelen bacteriën en schimmels in de kringloop van stoffen?

a)

Ze doen aan fotosynthese

b)

Ze zorgen dat niet biologisch afbreekbaar afval weer wordt opgeruimd

c)

Ze zorgen er voor dat voedingsstoffen uit afval weer beschikbaar komen voor planten

d)

Ze zijn consumenten

21.

Een konijn is een ...

a)

planteneter

b)

alleseter

c)

vleester

22.

Een leeuw is een....

a)

planteneter

b)

alleseter

c)

vleeseter

23.

Biotische factoren zijn

a)

invloeden afkomstig van de levenloze natuur

b)

invloeden afkomstig van de levende natuur

c)

invloeden afkomstig van zon, wind, water

24.
een leeuw is een
a)
reducent
b)
consument
c)
producent
25.

In een sloot komen de volgende organismen voor:

1 snoek

2 algen

3 watervlo

4 baars

5 stekelbaars

Hoe ziet de juiste voedselketen er uit?

a)

3 --> 2 --> 4 --> 5 --> 1

b)

2 --> 3 --> 5 --> 4 --> 1

c)

2 --> 5 --> 3 --> 4 --> 1

d)

1 --> 4 --> 5 --> 3 --> 2

26.

In de vacht van vossen leven vlooien die bloed uit de huid opzuigen. Verder komen in de vacht van vossen ook bacteriën voor die van dode huidcellen leven. Welke van deze organismen behoren tot reducenten?

a)

Vossen

b)

Vlooien

c)

Bacteriën

27.
Welke factor is abiotisch?
a)
Lucht
b)
Insect
c)
Planten
d)
Paddenstoel
28.
Wat is géén ecosysteem?
a)
de achtertuin
b)
het aquarium
c)
het bos
d)
de parkeergarage
29.
Een voorjaarsbloeier is aangepast aan zijn omgeving door;
a)
Hoger groeien dan andere planten.
b)
Eerder te bloeien dan andere planten.
c)
Langer te bloeien dan andere planten.
d)
Voorjaarsbloeiers zijn niet aangepast.
30.
Woestijnplanten zijn aangepast aan hun omgeving door;
a)
Minder huidmondjes.
b)
Weinig tot geen bladeren.
c)
Dikke waslaag.
d)
Alle antwoorden zijn goed.
31.
Temperatuur is een ...
a)
biotische factor
b)
hitte factor
c)
abiotische factor
d)
koude factor
32.
Zoogdieren zijn aangepast aan koude temperaturen door...
a)
Een vetlaag
b)
Kleine oren
c)
Dikke vacht
d)
Alle antwoorden zijn goed
33.
Welk type snavel zie je op de afbeelding?
a)
Haaksnavel
b)
Pincetsnavel
c)
Kegelsnavel
d)
Zeefsnavel
34.
Welk type poten zie je op de afbeelding?
a)
Steltpoten
b)
Grijppoten
c)
Klimpoten
d)
Zwempoten
35.
Functie:
Voedingsstoffen maken voor de plant.
a)
Wortels
b)
Stengels
c)
Bladeren
d)
Bloem
36.
Hoe gaat de formule van fotosynthese?
a)
Water + koolstofdioxide -> zuurstof + stikstof
b)
Water + zuurstof -> stikstof + koolstofdioxide
c)
Water + koolstofdioxide -> zuurstof + glucose
d)
Water + glucose -> koolstofdioxide + zuurstof
37.
Een omnivoor is een ...
a)
alleseter.
b)
vleeseter.
c)
planteneter.
38.
Een carnivoor is een...
a)
alleseter.
b)
planteneter.
c)
vleeseter.
39.
Een herbivoor is een ....
a)
alleseter.
b)
planteneter.
c)
vleeseter.
40.
Uit hoeveel schakels bestaat de kortste voedselketen in de afbeelding?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
41.
Wat is een voedselweb?
a)
Een reeks van eten en gegeten worden.
b)
Alle biotische factoren in een ecosysteem.
c)
Alle voedselrelaties in een ecosysteem.
42.
Wat ontbreekt bij nummer 2?
a)
consument
b)
producent
c)
reducent
d)
afvaleters
43.
Dit diagram noemen we ook wel een...
a)
minimum-maximumkromme.
b)
staafdiagram.
c)
milieukromme.
d)
optimumkromme.
44.
Het klimaat heeft veel invloed op de grootte van een populatie.
a)
juist
b)
onjuist
45.
Boven het maximum en onder het minimum gaan organismen dood.
a)
juist
b)
onjuist
46.
Het gestroomlijnde lichaam van deze pinguïn is een voorbeeld van....
a)
aanpassing.
b)
successie.
c)
mutualisme.
d)
symbiose.
47.
Wat voor een soort 'ganger' zie je in deze afbeelding?
a)
zoolganger
b)
teenganger
c)
topganger/hoefganger
48.
Welke van onderstaande factoren is biotisch?
a)
reducenten
b)
bodemvochtigheid
c)
waterdiepte
d)
grondsoort
49.

A1

Het organisme op de afbeelding doet aan fotosynthese, is ééncellig en bevat een celkern.

Dit organisme is een

a)

dier

b)

plant

c)

bacterie

d)

schimmel

50.

A1

De celbouw van verschillende soorten micro-organismen wordt met elkaar vergeleken.

Welke organismen hebben een celkern?

a)

algen en bacteriën

b)

algen en gisten

c)

gisten en bacteriën

d)

algen, gisten en bacteriën

51.

Welk begrip wordt er omschreven?


'Alle populaties die in een ecosysteem leven.'

a)

Individu

b)

Populatie

c)

Levensgemeenschap

d)

Ecosysteem

52.

Wat staat hieronder afgebeeld?

a)

Voedselketen

b)

Voedelweb

53.

Consument van de 1ste orde kan zijn:

a)

een vleeseter of planteter

b)

een alleseter of planteter

c)

een vleeseter of alleseter

54.

Een consument van de tweede orde is altijd een planteneter

a)

juist

b)

onjuist

55.

Welke aanpassingen hebben landplanten in vergelijking met waterdieren

a)

Dikke huid, lange botten

b)

zware botten, korte romp

c)

vacht, stevige poten

d)

zwaar skelet, stevige poten

56.

Welke snavel is het beste om insecten te eten?

a)

Kegelsnavel

b)

Pincetsnavel

c)

Priemsnavel

d)

Haaksnavel

57.

Waardoor zwemmen waterdieren met zo min mogelijk weerstand door het water?

a)

Lichte botten

b)

Sterke vinspier

c)

schubben en slijmlaag

d)

weinig lucht in het lichaam

58.

Welke planten groeien het beste met veel licht?

a)

schaduwplanten

b)

voorjaarsbloeiers

c)

kamerplanten

d)

zonplanten

59.

Wat ontstaat er bij het proces fotosynthese

a)

water en zuurstof

b)

glucose en koolstof

c)

water en glucose

d)

glucose en zuurstof

60.

Is een dinosauriër een hoefganger, een teenganger of een zoolganger?

a)

Topganger

b)

Teenganer

c)

Zoolganger

61.
Aan vier leerlingen wordt gevraagd een voorbeeld te noemen van een ecosysteem. Zij geven de volgende voorbeelden.
Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied.
Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei.
Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen.
Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.
a)
Leerling 1
b)
Leerling 2
c)
Leerling 3
d)
Leerling 4
62.
In de afbeelding zijn de relaties tussen producenten, consumenten en reducenten schematisch weergegeven.
Op een bepaald moment wordt het water van een sloot vervuild met organische stoffen.
Zal daardoor als eerste een toename optreden van het aantal consumenten, van het aantal producenten of van het aantal reducenten in deze sloot?
a)
consumenten
b)
producenten
c)
reducenten
63.
In een fruitboomgaard treden regelmatig plagen van fruitspintmijten op. Fruitspintmijten zuigen plantesappen uit de bladeren van de fruitbomen waardoor de bladeren op grote schaal verdorren en de oogst vermindert. Vier keer per jaar wordt het aantal fruitspintmijten vastgesteld. Afhankelijk van het aantal fruitspintmijten wordt één of twee keer per jaar gespoten met een chemisch bestrijdingsmiddel. Elke keer wordt hetzelfde type en dezelfde hoeveelheid bestrijdingsmiddel gebruikt.
In de bron zijn de resultaten van tellingen van fruitspintmijten over 8 jaren weergegeven.
Twee kwekers doen elk een bewering over de oorzaak van plagen van fruitspintmijten in een appelboomgaard.
Kweker 1: Dat komt doordat de biotische omstandigheden in de boomgaard voor de fruitspintmijten zeer gunstig zijn.
Kweker 2: Dat komt doordat de fruitspintmijten door hun voedselspecialisatie alleen in een fruitboomgaard kunnen leven.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
a)
geen van beide
b)
bewering van kweker 1
c)
bewering van kweker 2
d)
beide beweringen
64.
In het Andesgebergte in Colombia vind je verschillende vegetatiezones. Van laag naar hoog: tropisch bos, bergbos, struikpáramo (een zone met voornamelijk struikgewas) en ten slotte páramo (een soort alpenweide zonder bomen en struiken). Daarboven is geen vegetatie meer, maar bevindt zich eeuwige sneeuw. 
Welke abiotische factor is vooral verantwoordelijk voor het opschuiven van de verschillende vegetatiezones in de Andes?
a)
bodem
b)
temperatuur
c)
licht
d)
water
65.
Welke van onderstaande factoren is abiotisch?
a)
predatoren
b)
parasieten
c)
zuurgraad bodem
d)
soortgenoten
66.
Welke van onderstaande factoren is biotisch?
a)
reducenten
b)
bodemvochtigheid
c)
waterdiepte
d)
grondsoort
67.
Wat is de biologische term voor een verzameling van populaties en abiotische factoren in een natuurlijk begrensd gebied?
a)
ecosysteem
b)
habitat
c)
niche
d)
biotoop
68.
Je ziet hier een voorbeeld van:
a)
een populatie.
b)
een ecosysteem.
c)
een lage biodiversiteit.
d)
een hoge biodiversiteit
69.

Tot welke categorie behoren de afvaleters?

a)

reducenten

b)

producenten

c)

consumenten

d)

predatoren

70.

Wat zijn reducenten?

a)

bacteriën

b)

bacteriën en schimmels

c)

afvaleters

d)

eencellige diertjes

71.

Wat is een voordeel van het lopen als zoolganger?

a)

dat je schoen beter zit.

b)

je zakt niet weg op zachte ondergrond

c)

kan je hard rennen

d)

kan je beter geruisloos lopen (sluipen)

72.

Welke plant heeft het grootste wortelstelsel?

a)

waterplanten

b)

planten in droge gebieden

c)

planten met genoeg water om zich heen

d)

planten in het regenwoud

73.

De vogel op de afbeelding is een wulp. Wat voor soort snavel heeft de wulp?

a)

kegelsnavel

b)

pincetsnavel

c)

priemsnavel

d)

zeefsnavel

74.
Een plant met dikke bladeren:
a)
leeft in een droge omgeving
b)
leeft in een vochtige omgeving
c)
leeft onder water
75.
Een plant met stekels in plaats van bladeren:
a)
leeft in een droge omgeving
b)
leeft in een vochtige omgeving
c)
leeft onder water
76.
Een plant met een stevige stengel is meestal
a)
een landplant
b)
een waterplant
77.
Planten hebben bloemen voor
a)
geslachtelijke voortplanting
b)
ongeslachtelijke voortplanting
c)
de sier