wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

SE voorbereiding transport en opslag

Total questions: 48

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.
Hoe heet het vocht dat zich bevindt tussen de cellen van organen?
a)
Orgaanvocht.
b)
Weefselvloeistof.
c)
Lymfe.
d)
Bloed
2.
Het weefselvloeistof vormt samen met het .... het  interne milieu.
a)
Bloedplasma
b)
Lymfe
c)
Speeksel
d)
Water
3.
In de lever wordt ... opgeslagen.
a)
Glycogeen
b)
Vet
c)
Water
d)
Bloed
4.
Insuline zet ... om in ...
a)
Glycogeen om in glucagon.
b)
Glycogeen om in glucose.
c)
Glucose om in glycogeen.
d)
Glucagon om in glycogeen.
5.
Glucagon zet ... om in ..
a)
Glucose om in glycogeen.
b)
Glycogeen om in glucose.
c)
Glucose om in glycogeen.
d)
Glycogeen om in glucagon.
6.
Wat in het lichaam produceert insuline en glucagon?
a)
De hersenen
b)
De lever
c)
De alvleesklier
d)
De maag
7.
Hoe heet nummer 2?
a)
nierbekken
b)
nierschors
c)
niermerg
d)
uirineleider
8.
Hoe heet nummer 1?
a)
nierbekken
b)
nierschors
c)
niermerg
d)
uirineleider
9.

Via welke organen kunnen we stoffen opnemen in het inwendig milieu?

a)

longen

b)

huid

c)

nieren

d)

darmen

10.

Wat is de functie van de nierbekken?

a)

filteren van het bloed

b)

filteren van urine

c)

verzamelen van urine

11.

In de spieren is een voorraad brandstof opgeslagen, die bij inspanning kan worden gebruikt.

In welke vorm is brandstof in spieren opgeslagen?

a)

In de vorm van glucose

b)

In de vorm van glycogeen

c)

In de vorm van zetmeel

12.

Met welke letter wordt het niermerg aangegeven?

a)

P

b)

Q

c)

S

d)

U

13.

Met welke letter wordt de nierslagader aangegeven??

a)

R

b)

S

c)

T

d)

U

14.
Uit welke twee lagen bestaat de opperhuid?
a)
opperhuid en kiemlaag
b)
hoornlaag en opperhuid
c)
hoornlaag en kiemlaag
d)
kiemlaag en lederhuid
15.
Welke nummer is haar
a)
1
b)
4
c)
7
d)
8
16.

Welk nummer is de zweetklier

a)

6

b)

3

c)

8

d)

5

17.
Het drukzintuig is een onderdeel van de huid.
a)
Juist
b)
Onjuist
18.
Dankzij zweetklieren kan je lichaam afkoelen.
a)
Juist
b)
Onjuist
19.

Hoe heten de hoornlaag en de kiemlaag samen?

a)

Lederhuid

b)

Opperhuid

c)

Onderhuids bindweefsel

20.

Welke functie heeft talg?

a)

Droogt de huid en het haar uit, voorkomt dat het haar vet wordt

b)

Het is vettig en houdt de huid met haren soepel

21.

Wat gebeurt er bij kippenvel?

a)

De haarspiertjes trekken samen. De haren op de huid gaan rechtop staan. Tussen de haren komt een isolerende luchtlaag.

b)

De haarspiertjes ontspannen. De haren op de huid gaan op de huid liggen. Tussen de haren komt een isolerende luchtlaag.

c)

De haarspiertjes trekken samen. De haren op de huid gaan op de huid liggen. Tussen de haren komt niks.

d)

De haarspiertjesontspannen. De haren op de huid gaan rechtop staan. Tussen de haren komt niks.

22.

Als je het warm krijgt worden de bloedvaten:

a)

wijder, er stroomt meer bloed door de bloedvaten. Daardoor geeft het bloed meer warmte af aan de huid en koel je af.

b)

Nauwer, er stroomt meer bloed door de bloedvaten. Daardoor geeft het bloed meer warmte af aan de huid en koel je af.

23.

Wat is GEEN functie van de huid?

a)

Beschermen tegen uitdroging, tegen de zon en tegen het binnendringen van vuil en ziekteverwekkers.

b)

heeft invloed op de temperatuurregeling van het lichaam.

c)

Het is een zintuig voor warmte, kou, druk, tast en pijn

d)

het regelt de bloedsomloop zodat overal voldoende bloed met zuurstof en voedingsstoffen terecht komt. Dit zorgt voor een mooiere huid

24.

Wat gebeurt er bij inenten?

a)

je krijgt een stofje binnen en je wordt niet ziek

b)

je krijgt verzwakte ziekteverwekkers toegediend waar je lichaam op reageert

25.

Bloedvat A is een

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

26.
Wat is juist!
a)
Bloed gaat van de aorta naar de linkerkamer
b)
Bloed gaat van de holle ader naar de linkerboezem
c)
Bloed gaat van de aorta naar de rechterkamer
d)
Bloed gaat van de holle ader naar de rechterboezem
27.
Welke bloedvaten hebben kleppen?
a)
Haarvaten
b)
Slagaders
c)
Aders
28.
Wat is een ander woord voor inenten?
a)
Vaccineren
b)
Weerstand
c)
Immuunsysteem
29.

Als je de waterpokken kreeg toen je jong was en er nu niet meer ziek van wordt, ben je

a)

Gevaccineerd

b)

Kunstmatig immuun

c)

Natuurlijk immuun

d)

besmet

30.

Waar heen stroomt het bloed uit de rechter kamer

a)

door de longader naar de longen

b)

door de longslagader naar de longen

c)

door de aorta naar het lichaam

d)

door de aorta naar de longen

31.
In de afbeelding hiernaast tref je een aantal verschillende bloeddeeltjes aan. Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 3
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedpaatjes
d)
Bloedplasma
32.
Hoe heet onderdeel 3
a)
aorta
b)
bovenste holle ader
c)
onderste holle ader
d)
kransslagader
33.
Welk nummer geeft de longslagader aan?
a)
12
b)
3
c)
5
d)
4
34.
Na een vaccinatie ben je
a)
Ziek
b)
natuurlijk immuun
c)
Kunstmatig immuun
d)
verzwakt
35.
Ziekteverwekkers worden gedood door ?
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes
d)
Bloedplasma
36.
Welke bloedcellen vervoeren zuurstof?
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes
d)
Bloedplasma
37.
Welke bloedcellen zorgen voor de bloedstolling (korstjes)
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes
d)
Bloedplasma
38.
Bloedvat C heeft
a)
geen kleppen in de wanden
b)
wel kleppen in de wanden
39.

Met welke nummer wordt de linkerkamer aangeven?

a)

7

b)

9

c)

10

d)

12

40.
Welke kenmerk hoort niet bij slagaders?
a)
Liggen diep in het lichaam
b)
Hoge bloed druk
c)
Dikke elastische wand
d)
Bevat veel kleppen
41.

Welke van onderstaande bloedvaten is zuurstofarm

a)

Aorta

b)

Kransslagader

c)

Longslagader

d)

Longader

42.

Wat is het grootste bloedvat van ons lichaam?

a)

aorta

b)

longslagader

c)

poortader

d)

borstbuis

43.

Wat is een belangrijk kenmerk van haarvaten?

a)

Haarvaten vervoeren het bloed naar het hart toe

b)

Haarvaten hebben dikke wanden

c)

Haarvaten hebben zeer dunne, halfdoorlatende wanden

d)

Haarvaten vervoeren het bloed van het hart af

44.

Wat is de functie van hartkleppen?

a)

zorgen ervoor dat het bloed sneller stroomt

b)

zorgen ervoor dat het bloed niet terug kan stromen

c)

zorgt ervoor dat het bloed niet kan klonteren

45.

Met welk nummer is een slagader aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

46.

Wat is dit voor een bloedvat?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

47.

Waar worden zuurstof en voedingsstoffen afgegeven aan het bloed?

a)

slagaders

b)

aders

c)

haarvaten

48.

In welk bloedvat is de bloeddruk hoog?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat