WorksheetsCirculatie
Total questions: 29
Worksheet time: 10mins
Name
Class
Date
1.
Rode bloedcellen zijn cellen die geschikt zijn voor het transporteren van zuurstof.
a)
waar
b)
niet waar
2.
Een hypovolemische shock is de eerste vorm van shock waar aan gedacht moet worden bij een slachtoffer van trauma .
a)
true
b)
NIET WAAR
3.
Een 68-jarige dame is gestoken door wesp, bekend met ernstige allergie op wespengif. Welke vorm van shock zal bij haar ontstaan?
a)
obstructieve shock
b)
hypovolemische shock
c)
distributieve shock
d)
cardiogene shock
4.
Het aanleggen van een tourniquet betekent vaak dat het lichaamsdeel geamputeerd moet worden.
a)
true
b)
NIET WAAR
5.
Het lichaam reageert op shock door de bloedvaten in de extremiteiten dicht te knijpen.
a)
true
b)
NIET WAAR
6.
Bij een obstructieve shock moet worden gedacht aan een longembolie, spanningspneumothorax en welke van de volgende:
a)
fladderthorax
b)
myocardinfarct
c)
dehydratie
d)
harttamponade
7.
Mensen met een neurogene shock hebben in het algemeen een koude en klamme huid.
a)
true
b)
NIET WAAR
8.
Een infuus inbrengen bij een persoon in shock heeft een eerste prioriteit.
a)
true
b)
NIET WAAR
9.
Bij een persoon in shock is de eerste keus voor zuurstof therapie een NRB.
a)
true
b)
NIET WAAR
10.
Welk type shock heeft iemand met een spanning pneumothorax?
a)
obstructieve shock
b)
hypovolemische shock
c)
distributieve shock
d)
cardiogene shock
11.
Grote hoeveelheden infuusvocht hebben geen consequenties bij een persoon in shock.
a)
true
b)
NIET WAAR
12.
Een persoon in shock moet met spoed naar een ziekenhuis worden gebracht.
a)
true
b)
NIET WAAR
13.
Adrenaline is geïndiceerd bij een obstructieve shock.
a)
true
b)
NIET WAAR
14.
Wat is de dosering van atropine bij een man van 18 jaar neurogene shock?
a)
02,02 mg/kg
b)
0,5 mg
15.
Een kind kan compenseren met de hartfrequentie en slagvolume.
a)
true
b)
NIET WAAR
16.
Bij een gecompenseerde shock daalt de bloeddruk.
a)
true
b)
NIET WAAR
17.
Acidose lijdt tot een snellere ademhaling.
a)
true
b)
NIET WAAR
18.
Vochtbeleid bij een verbloeding moet leiden tot een systolische RR van 90 of hoger.
a)
true
b)
NIET WAAR
19.
Tranexaminezuur kan bij elke bloeding gegeven worden.
a)
true
b)
NIET WAAR
20.
Shock is zuurstoftekort op celniveau.
a)
true
b)
NIET WAAR
21.
De ‘lethal triad of death omvat de volgende drie kenmerken.
a)
acidose, hypothermie en verbloeding
b)
acidose, hyperthermie en verbloeding
c)
stollingsstoornissen, acidose en hypothermie
d)
stollingsstoornissen, acidose en hyperthermie
22.
ATP niveau in de cellen stijgt bij aerobe verbranding.
a)
true
b)
NIET WAAR
23.
Een neurogene shock leidt tot een verstoring van het sympathisch zenuwstelsel.
a)
true
b)
NIET WAAR
24.
Bij een volwassen patiënt met hypovolemische shock geef je tranexaminezuur 100 mg per minuut.
a)
true
b)
NIET WAAR
25.
Een persoon in shock met hoofd/schedelletsel is de streef systolische druk 95 mmHg.
a)
true
b)
NIET WAAR
26.
Geen permissive hypotension bij bloeding en hoofd-/hersenletsel. Streven systole boven 110 mmHg.
a)
true
b)
NIET WAAR
27.
Een open pneumothorax is goed verbonden. Plots acute dyspnoe en shock: welke vorm van shock?
a)
obstructieve shock
b)
hypovolemische shock
c)
distributieve shock
d)
cardiogene shock
28.
Een anafylactische shock behoort bij een distributieve shock.
a)
true
b)
NIET WAAR
29.
Motorrijder met pols van 130 sl/min en een bloeddruk van 80/45 en is hierbij niet aanspreekbaar. Stelling: hier is sprake van een gecompenseerde shock.
a)
true
b)
NIET WAAR
100 %
