wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Economie, Arbeidsmarkt & Organisatie - Proeftoets

Total questions: 32

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Globalisering is:

a)

Een steeds sterkere orientatie op het buitenland waarbij bedrijven een proces van schaalvergroting ingaan door samen te werken met bedrijven buiten NL.

b)

Het opdelen van grote gebieden in kleinere gebiede

c)

Het voortdurende proces van wereldwijde, economische, politieke en juridische integratie

d)

Geen van de bovenstaande antwoorden is juist

2.

Enkele voordelen van globasiering zijn (kies er 2):

a)

Afschaffen van onrechtvaardige belastingstarieven

b)

Multinationals krijgen meer macht

c)

Werkgelegenheid verschuift naar lagelonenlanden

d)

Democratisering d.m.v. openstellen grenzen

3.

De hoofdtaak / taken van het Europees Parlement is / zijn:

a)

Stellen algemene beleidslijnen vast

b)

Zijn verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur, dienen wetsvoorstellen in en beheren de EU begroting.

c)

Stellen de begroting op, en controleren op het beheer van de EU begroting en het dagelijks bestuur.

d)

Nemen besluiten over specifieke thema's en hebben een wetgeving- en begrotingstaak.

4.

De mate waarin men in staat is in haar behoeftes te voorzien kennen wij ook wel als:

a)

Welzijn

b)

Welvaart

c)

Bewustzijn

d)

Geen van de bovenstaande antwoorden

5.

Welke vraag hoort bij het volgende antwoord: Armoedeval

a)

Hoe heet de financiele maatregel om werkenden een voordeel te laten hebben opzichte van niet werkenden ?

b)

Hoe noemen we het ontbreken van de stimulans om beter betaald werk aan te nemen waardoor toeslagen vervallen ?

c)

Hoe noemen we het als extra inkomen direct wordt gekort op de uitkering en het dan niet loont om te gaan werken ?

d)

Wat is een maatregel die de Overheid heeft genomen om het aantal uitkeringontvangers te verminden ?

6.

Wat is een voorbeeld van een sociale verzekering?

a)

Kinderbijslag

b)

Huurtoeslag

c)

Werkloosheidswet

d)

Algemene Ouderdomswet

7.

Monetaire inflatie treedt op wanneer:

a)

Een stijging van het algehele prijspeil van producten die geimporteerd worden vanuit het buitenland.

b)

Een stijging van het algehele prijspeil doordat er meer geld in de economische kringloop komt

c)

Een daling van het algehele prijspeil van producten.

d)

Een stijging van het algehele prijspeil door een toename in de bestedingen van consumenten.

8.

Prijsinflatie door kosteninflatie kan worden bestreden middels de volgende middelen:

a)

Loonmatiging & meer bestedingen

b)

Matiging van bestedingen & loon- en prijsmaatregelen

c)

Wisselkoersstijging & Loonmatiging

d)

Wisselkoersstijging & matiging bestedingen

9.

Hoe kunnen mensen en/of bedrijven zich beschermen tegen inflatie zodat de koopkracht niet daalt?

a)

Langetermijnlening aangaan

b)

vastgelegde loonstijging ter hoogte van inflatiecijfer

c)

Producten in het buitenland kopen

d)

Verkoopprijs van producten verhogen

10.

Wanneer de overheid het minimumloon verhoogt heeft dit het volgende gevolg:

a)

Hogere werkgelegenheid

b)

Meer investeringen

c)

Minder investeringen

d)

Lagere werkgelegenheid

e)

Geen van de bovenstaande antwoorden

11.

Welke 2 stellingen over de lorenzecurve zijn juist?

a)

Hoge inkomens relatief het laagste gedeelte van het BNP vertegenwoordigen.

b)

Hoge inkomens relatief het grootste gedeelte van het BNP vertegenwoordigen.

c)

20% laagste inkomens 1% van het BNP vertegenwoordigen en de 20% hoogste inkomens 60% van het BNP vertegenwoordigen.

d)

60% laagste inkomens 20% van het BNP vertegenwoordigen en de 1% hoogste inkomens 20% van het BNP vertegenwoordigen.

12.

Waar verdient Nederland voornamelijk haar inkomen aan?

a)

Ontwikkelingswerk

b)

Ondernemerschap

c)

Belastingen

d)

Premies

13.

Welk(e) principe(s) kent sociale zekerheid?

a)

Bescherming van inkomens

b)

Collectieve dekking van ziektekosten

c)

Pensioen die de AOW verder aanvult

d)

Alle drie bovenstaande antwoorden zijn juist

14.

Onder sociale verzekeringen vallen:

a)

Bovenwettelijke uitkeringen & Werknemersverzekeringen

b)

Sociale voorzieningen & Bovenwettelijke uitkeringen

c)

Aanvullende pensioensregelingen & Bovenwettelijke uitkeringen

d)

Werknemersverzekeringen & Volksverzekeringen

15.

Het sociale verzekeringenstelsel in Nederland staat momenteel onder druk door:

a)

Vergrijzing

b)

Vergroening

c)

Ontgroening

d)

Oplopende pensioenleeftijd

16.

Op de loonstrook hoeft niet te worden vermeld:

a)

BSN van de werknemer

b)

Overeengekomen arbeidsduur

c)

Inhoudingen op het loon

d)

Uitbetaalde loon inclusief specificatie vakantiegeld

17.

Op het gebied van de arbeidsmarkt spreken we bij de vraagzijde over:

a)

werkgelegenheid

b)

de beroepsbevolking

18.

De beroepsbevolking omvat:

a)

Mensen tussen 15-65 jaar oud.

b)

Mensen die willen en kunnen werken voor minimaal 12 uur per week.

c)

Mensen die niet willen en kunnen werken voor minimaal 12 uur per week en tussen 15-65 jaar oud zijn.

d)

Mensen die willen en kunnen werken voor minimaal 12 uur per week en tussen 15-65 jaar oud zijn.

19.

De potentiele beroepsbevolking omvat:

a)

Mensen tussen de 15-65 jaar oud

b)

Mensen tussen de 15-65 jaar oud die arbeidsgeschikt zijn

c)

Mensen tussen de 15-65 jaar oud die arbeidsgeschikt zijn, maar niet staan ingeschreven bij het UWV (niet willen werken)

d)

Mensen met een baan voor meer dan 12u per week.

20.

Netto arbeidsparticipatie bereken je middels de volgende formule:

a)

(werkzame beroepsbevolking / potentiele beroepsbevolking) * 100%

b)

(potentiele beroepsbevolking / totale bevolking) * 100%

c)

(beroepsbevolking / potentiele beroepsbevolking) * 100%

d)

(beroepsgeschikte bevolking / beroepsbevolking) * 100%

21.

Wanneer er bij CAO-onderhandelingen een akkoord is en dit neutraal wordt voorgelegd aan de leden, spreekt met van:

a)

Principeakkoord

b)

Formatieakkoord

c)

Onderhandelingsresultaat

d)

Eindbod

e)

Geen van de bovenstaande antwoorden

22.

Bij welke banen zien wij met name flexcontracten?

a)

Verpleegkundigen

b)

IT-specialisten

c)

Horeca

d)

Bouw

e)

Ingenieurs

23.

Waarom is er sprake van steeds meer flexibele contracten op de arbeidsmarkt?

a)

Doordat werknemers zekerheid willen

b)

Door de opkomst van ZZP'ers

c)

Doordat werkgevers risico's en kosten willen minimaliseren

d)

Geen van de bovenstaande antwoorden is juist

24.

Een kernmerk van een planeconomie is:

a)

Weerstand tegen vernieuwing

b)

Prijzen kunnen hoger of lager zijn dan maatschappelijk aanvaardbaar

c)

Kans op onderbestedingswerkloosheid

d)

Sommige goederen / producten hebben geen prijs

e)

Onevenredige verdeling van inkomens en vermogens

25.

Een doel van de economische politiek is niet

a)

Stabiel prijspeil

b)

Evenwichtige arbeidsmarkt

c)

Evenwichtige economische groei

d)

Evenwichtige inrichting van infrastructuur

e)

Rechtvaardige inkomensverdeling

26.

Wanneer er krapte is op de arbeidsmarkt spreken we van:

a)

Stijgende lonen en onderbesteding

b)

Stijgende lonen en overbesteding

c)

Dalende lonen en onderbesteding

d)

Dalende lonen en overbesteding

27.

Prijzen komen in een vrije markt economie tot stand door de werking van het marktmechanisme, dus:

a)

Als de vraag naar een product stijgt dan daalt de prijs

b)

Als de vraag naar een product stijgt dan stijgt de prijs

c)

Als het aanbod naar een product stijgt dan daalt de prijs

d)

Als het aanbod naar een product stijgt dan stijgt de prijs

28.

Bij micro niveau economie spreken we van:

a)

totale aanbod en vraag van producten

b)

vraag en aanbod van één product of dienst

c)

vraag en aanbod op sector en bedrijfstak niveau

d)

Geen van bovenstaande antwoorden is correct

29.

Bij solvabiliteit geven we in inzicht over:

a)

De mate waarin het bedrijf de verplichtingen op korte termijnkan betalen (bv bestelling voorraad); verhouding vlottende activa en schulden op korte termijn

b)

In hoeverre is de investering winstgevend; verhouding winst en de investering die hiervoor nodig is geweest

c)

kan het bedrijf de verplichtingen op lange termijn betalen (bv grote langdurige leningen); verhouding eigen en vreemd vermogen

d)

Geen van bovenstaande antwoorden is correct

30.

Monopolistische concurrentie is wanneer:

a)

Er veel aanbieders zijn, veel afnemers en een homogeen product

b)

Er veel aanbieders zijn, veel afnemers en een heterogeen product

c)

Er weinig aanbieders zijn, veel afnemers en een homogeen product

d)

Er weinig aanbieders zijn, veel afnemers en een heterogeen product

31.

Wanneer we een product toevoegen aan ons assortiment spreken we van:

a)

Integratie

b)

Differentiatie

c)

Paralellisatie

d)

Specialisatie

32.

Nationaal inkomen bestaat uit een combinatie van:

a)

Spaargeld gezinnen, Consumptie van goederen door gezinnen, Overheidsbestedingen

b)

Import, Export, Consumptie van goederen door gezinnen en overheidsbestedingen

c)

Consumptie van goederen door gezinnen, spaargeld gezinnen & Belastingen betaald door gezinnen

d)

Investeringen door financiele instellingen, consumptie van goederen door gezinnen en overheidsbestedingen