NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsLijdend voorwerp
Total questions: 10
Worksheet time: 5mins
Name
Class
Date
1.
Dit schilderij moet tweeduizend euro opbrengen
a)
moet
b)
Dit schilderij
c)
moet opbrengen
d)
tweeduizend euro
2.
Hij kan een goede prijs hiervoor maken
a)
Hij
b)
een goede prijs
c)
hiervoor
d)
kan maken
3.
Hij kan er geen mouw aanpassen
a)
geen mouw aanpassen
b)
Hij
c)
kan
d)
er
4.
Zij doen de verkeerde dingen
a)
de verkeerde dingen
b)
Zij
c)
doen
5.
Hij slaat spijkers met koppen
a)
Hij
b)
slaat
c)
spijkers
d)
spijkers met koppen
6.
Hij neemt dit nooit serieus
a)
Hij
b)
neemt
c)
dit
d)
nooit serieus
7.
Hij brengt zijn moeder weg
a)
brengt
b)
brengt weg
c)
zijn moeder
d)
Hij
8.
Zij scoorde een prachtig doelpunt
a)
scoorde
b)
Zij
c)
doelpunt
d)
een prachtig doelpunt
9.
Hij neemt altijd zijn boeken mee
a)
neemt
b)
Hij
c)
mee
d)
zijn boeken mee
10.
Wie heeft dit gezien?
a)
dit
b)
Wie
c)
gezien
d)
heeft
Reset
