Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Economie hoofdstuk 3 Pincode

Total questions: 25

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Op welke manier kun je NIET betalen in de winkel?

a)

Pinpas

b)

Chartaal geld

c)

Giraal Geld

d)

Paypal

2.

Klopt deze bewering: Als je spaart geef je een deel van inkomen niet uit.

a)

Juist

b)

Onjuist

3.

Klopt deze bewering: Alleen met sparen heb je te maken met rente.

a)

Juist

b)

Onjuist

4.

Als je geld leent, moet je rente betalen. Het rentepercentage van een lening is:

a)

Hoger dan het rentepercentage op een spaarrekening

b)

Even hoog als het rentepercentage op een spaarrekening

c)

Lager dan het rentepercentage op een spaarrekening

5.

Wat levert een bank vooral?

a)

Goederen

b)

Diensten

c)

Producten

6.

Als je bij de bank dollars gaat kopen noem je die valuta:

a)

Aflossen

b)

Vreemd geld

c)

Jeugdsparen

d)

Rente

7.

Wat is een voorbeeld van een directe ruil

a)

Een ipad ruilen voor een laptop

b)

Een tas ruilen voor geld

c)

Schoenen krijgen van iemand

d)

Op straat een lamp vinden, en die houden

8.

Het aanbod van geld bij banken komt van de.....

a)

Leners

b)

Spaarders

c)

Bedrijven

d)

Bank

9.

Wat is niet een spaarmotief?

a)

Sparen voor een doel

b)

Sparen voor de rente

c)

Sparen uit voorzorg

d)

Sparen om nu te besteden

10.

Wat is een spaardeposito?

a)

Geld een lange tijd sparen, tegen vaste rente

b)

Rente die per jaar kan veranderen

c)

Het aanbod van geld bij de bank

d)

Een spaarmotief waarom mensen sparen

11.

Als spaarder heb je te maken met inflatie. Dit is.....

a)

goed voor een spaarder

b)

slecht voor een spaarder

c)

maakt geen verschil

d)

is slecht voor de bank

12.

Een andere beschrijving voor samengestelde rente is:

a)

Rente over rente

b)

Geld over geld

c)

Vaste rente

d)

Enkelvoudige rente

13.

Als je rood mag staan op je bankrekening, noem je dit:

a)

Interest

b)

Spaarmotief

c)

Krediet

d)

Geld

14.

Wat zijn kredietkosten?

a)

Alles wat je meer betaalt dan wat je hebt geleend.

b)

Het totale bedrag wat je moet terug betalen

c)

Het geld wat je per maand moet terugbetalen

d)

Hypothecaire lening

15.

Wat kan je kopen met een hypothecaire lening?

a)

Een nieuwe auto

b)

Een vakantiereis

c)

Een huis

d)

Een nieuwe bank

16.

Wat is GEEN kredietvorm?

a)

Persoonlijke lening

b)

Salariskrediet

c)

Doorlopend krediet

d)

Argumentair krediet

17.

Beleggen is veiliger dan sparen

a)

Juist

b)

Onjuist

18.

Noem 2 voordelen die je hebt met sparen, die je niet hebt met beleggen

a)

je geld is tot 100.000 gegarandeerd

b)

je kan je geld kwijtraken

c)

je krijgt altijd rente

d)

je kan veel meer verdienen

19.

Je kan met de euro in de hele wereld betalen

a)

Juist

b)

Onjuist

20.

Hoe noem je de beloning van de bank, bij het omwisselen van vreemd geld

a)

Wisselkoers

b)

Provisie

c)

Euro's

d)

Omrekenbudget

21.

In Europese unie kan je ook met andere valuta betalen

a)

Juist

b)

Onjuist

22.

Met welk betaalmiddelen kun je jouw internet aankopen betalen? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Chartaal geld

b)

Cash

c)

Paypal

d)

Creditcard

23.

Geld wat je voorlopig niet nodig hebt, kun het beste zetten op een:

a)

Betaalrekening

b)

Lopende rekening

c)

Spaardeposito

d)

Spaarrekening

24.

Welk begrip geeft de verhouding tussen de euro en de vreemde valuta aan?

a)

Krediet

b)

Provisie

c)

Valuta

d)

Wisselkoers

25.

Wat is chartaal geld?

a)
b)