wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoordspelling - herhaling

Total questions: 20

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(o.t.t. - haperen)

De vioolsnaar (a)   tijdens het concert.

2.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(o.t.t. - ruiken)

Het (a)   hier naar poffertjes.

3.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(o.t.t. - vermijden)

De klimmer (a)   de moeilijke plekken van de rots.

4.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(o.t.t. - reageren)

De meeste mensen (a)   woedend op de uitslag.

5.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(o.t.t. - kneden)

(a)   jij het pizzadeeg vanavond?

6.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(o.v.t. - hechten)

De nieuwe verpleger (a)   de wond niet zo netjes!

7.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(o.v.t. - verkleden)

De vrienden (a)   zich als piraat voor carnaval.

8.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(o.v.t. - grijpen)

De vampier (a)   zijn kans bij het slachtoffer.

9.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(o.v.t. - stoten)

Ik (a)   mijn knie aan de poot van de tafel.

10.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(o.v.t. - moeten)

Richard (a)   op tijd zijn voor de boot naar Engeland.

11.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(VD - vouwen)

De kleine kleuter heeft een mooi vogeltje (a)   .

12.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(VD - organiseren)

Mijn oom heeft een bijeenkomst voor Kom Op Tegen Kanker (a)   .

13.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(VD - verheugen)

De directeur heeft zich (a)   op zijn pensioen.

14.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(VD - hoesten)

De vuilnisman heeft de hele nacht (a)   .

15.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(VD - pruttelen)

De pannen met soep hadden lang (a)   .

16.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in. LET OP! Lees je zin aandachtig om te bepalen welke tijd je moet gebruiken.


(vergeten)

Mijn broer (a)   zijn zwembroek, toen hij ging zwemmen!

17.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in. LET OP! Lees je zin aandachtig om te bepalen welke tijd je moet gebruiken.


(verwaarlozen)

De oude man heeft zijn moestuin (a)   .

18.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in. LET OP! Lees je zin aandachtig om te bepalen welke tijd je moet gebruiken.


(onthouden)

Als Mark boodschappen doet, (a)   hij alleen wat lekker is.

19.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in. LET OP! Lees je zin aandachtig om te bepalen welke tijd je moet gebruiken.


(zijn)

Het verbaast me dat jij echt piloot bent (a)   .

20.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in. LET OP! Lees je zin aandachtig om te bepalen welke tijd je moet gebruiken.


(besteden)

Jij (a)   elke week meer geld dan je verdient.