wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

brugklas kgt ordening

Total questions: 70

Worksheet time: 49mins

Name
Class
Date
1.
Welk dier heeft geen inwendig skelet?
a)
Ezel
b)
Kip
c)
Salamander
d)
Schorpioen
2.
Welk dier is veelzijdig symmetrisch
a)
Zeekomkommer
b)
Zeebaars
c)
Zeester
d)
Dolfijn
3.
Wat is de functie van het skelet van een dier?
a)
Stevigheid en beweging
b)
Stevigheid en bescherming
c)
Bescherming en verdediging
d)
Bescherming en camouflage
4.
Welk van de onderstaande organismen is een zaadplant?
a)
Appelboom
b)
Haarmos
c)
Paddenstoel
d)
Stekelvaren
5.
Het huisje van een huisjesslak is een voorbeeld van een...
a)
Inwendig skelet
b)
Beschermend skelet
c)
Hard skelet
d)
Uitwendig skelet
6.
Dit is een gordeldier. Een gordel dier heeft een ..1.. en is daarom een ...2...
a)
Inwendig skelet - geleedpotigen
b)
Inwendig skelet - gewervelden
c)
Uitwendig skelet - geleedpotigen
d)
Uitwendig skelet - worm
7.

Welke 5 groepen van gewervelde dieren zijn er?

a)

sponzen, stekelhuidigen, wormen, amfibieën en vissen

b)

zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en vissen

c)

zoogdieren, vogels, geleedpotigen, wormen en reptielen

d)

vogels, reptielen, vissen, geleedpotigen, en sponzen

8.
Padden zijn koudbloedig, ademen voor een groot deel door hun huid, en hun eieren zijn niet beschermd. Bij welke klasse binnen de afdeling van de gewervelden horen de padden?
a)
Bij de vissen
b)
Bij de reptielen
c)
Bij de zoogdieren
d)
Bij de amfibieën
9.
Wat is een andere naam voor het ‘op naam brengen’ van een organisme?
a)
Determineren
b)
Nomenclatuur
c)
Benoemen
d)
Stamboom
10.
Waar of niet waar? Een wants (zie het plaatje) is tweezijdig symmetrisch.
a)
Waar
b)
Niet waar
11.
Op basis van welke kenmerken worden de vier grote groepen ingedeeld?
a)
celkern, cytoplasma, celwand
b)
celkern, cytoplasma, celmembraan
c)
celkern, celwand, bladgroenkorrels
d)
celkern, bladgroenkorrels, cytoplasma
12.
Hoe noemen we de vier grote groepen van ordenen ook wel?
a)
Stammen
b)
Klassen
c)
Rijken
d)
Domeinen
13.
Welke cel heeft geen celkern?
a)
een bacterië 
b)
een schimmel
c)
een plant
d)
een dier
14.
Wat is de functie van de celkern?
a)
geeft volume aan de cel
b)
geeft stevigheid aan de cel 
c)
regelt de gebeurtenissen in de cel 
d)
heeft geen doel
15.
Waarvoor zorgen de bladgroenkorrels in de cellen van planten?
a)
ze hebben geen doel
b)
voor het vasthouden van vocht 
c)
 voor de steun van de plant
d)
voor de groene kleur
16.
Hoe planten bacteriën zicht voort?
a)
door knopvorming
b)
door deling 
c)
door zaadvorming
d)
met sporedraden
17.
Welke cel is de enige cel zonder celwand en met alleen een celmembraan?
a)
een bacterie
b)
een schimmel
c)
een plant
d)
een dier
18.
Welke functie hebben schimmels en bacteriën allebei?
a)
het vormen van bladgroen
b)
het doorgeven van informatie
c)
het opruimen van dode resten
d)
het vormen van sporen
19.
Welke van onderstaande schimmels kan je NIET eten
a)
schimmelkaas
b)
champignons
c)
broodschimmel 
d)
biergist
20.
Welk voedingsmiddel wordt gemaakt met behulp van schimmels?
a)
brood
b)
eieren
c)
fruitsap
d)
yoghurt
21.
Welk voedingsmiddel wordt gemaakt met behulp van bacteriën?
a)
brood
b)
eieren
c)
fruitsap
d)
yoghurt
22.
Hoe noem je een groep van miljoenen bacteriën bij elkaar?
a)
bacteriekudde
b)
bakteriegroep
c)
bacteriekolonie
d)
bacterienest
23.

Hieraan herken je een groep, welke groep is dit?

“Je ziet paddenstoelen of grijze of groenige pluizige draden.”

a)

Bacteriën

b)

Dieren

c)

Schimmels

d)

Planten

24.

Deze dieren hebben geen skelet. Ze vangen prooien met tentakels en leven in de zee.

Tot welke groep behoren deze dieren?

a)

Weekdieren

b)

Stekelhuidigen

c)

Geleedpotigen

d)

Holtedieren

25.

Deze groep is een onderdeel van de gewervelde dieren en heeft deze kenmerken:

1. Huid met veren

2. Ademt met longen

3. Wordt geboren uit een ei

a)

Vogels

b)

Vissen

c)

Amfibieën

d)

Zoogdieren

26.

Als je een naam van een levend wezen wil weten, wat doe je dan?

a)

Googlen

b)

Determineren

c)

Naar de bibliotheek

d)

Soortenbank.nl

27.

Welk van de volgende begrippen is het kleinst?

a)

Verschillende weefsels

b)

Blad

c)

Cellen

d)

Plant

28.

Welke cel komt uit de wortel van een plant?

a)

Cel 1

b)

Cel 2

29.

Welk orgaan word aangegeven met nummer 1?

a)

Lever

b)

Darmen

c)

Maag

d)

Blaas

30.

Welk onderdeel heeft een plantaardige cel wel en een dierlijke cel niet?

a)

Cytoplasma

b)

Celmembraan

c)

Celkern

d)

Celwand

31.

Hoe beschermen we onze zachte organen in het lichaam?

a)

Door middel van huid

b)

Door middel van het skelet

c)

Door middel van bloed

d)

Door middel van vet

32.

Hoe planten schimmels zich voort?

a)

Door middel van sporen

b)

Door middel van lopen

c)

Door middel van bestuiving

d)

Door middel van de wind

33.

Uit welke groep komt de cel hiernaast?

a)

Planten

b)

Dieren

c)

Schimmels

d)

Bacteriën

34.

Wat heeft een bacterie niet, wat de andere rijken wel hebben?

a)

Celkern

b)

Celmembraan

c)

Bladgroenkorrels

d)

Vacuole

35.

Wat is gist? Een …

a)

Bacterie

b)

Dier

c)

Plant

d)

Schimmel

36.
Wat is ordenen?
a)
het indelen op 2 verschillende kenmerken
b)
een verzameling indelen in groepen met een zelfde kenmerk
c)
Het indelen op geen kenmerk
d)
Het indelen op 1 of meerdere kenmerken
37.
Hoe noemen we de vier grote groepen van ordenen ook wel?
a)
Stammen
b)
Klassen
c)
Rijken
d)
Imperia
38.
Op basis van welke kenmerken worden de vier grote groepen ingedeeld?
a)
celkern, cytoplasma, celwand
b)
celkern, cytoplasma, celmembraan
c)
celkern, celwand bladgroenkorrels
d)
celkern, bladgroenkorrels, cytoplasma
39.
Hiernaast zie je twee konijntjes. Hoe zien de cellen van deze konijnen eruit?
a)
geen celkern, wel een celwand, wel bladgroenkorrels
b)
Wel een celkern, geen celwand, wel bladgroenkorrels
c)
geen celkern, geen bladgroenkoreels, geen celwand
d)
wel een celkern, geen celwand, geen bladgroenkorrels
40.
Hiernaast zie je verschillende planten in een kast staan. Hoe zien de cellen van deze planten eruit?
a)
wel een celwand, wel een celkern, wel bladgroenkorrels
b)
geen celwand, geen celkern, wel bladgroen
c)
geen celkern, wel een celwand, wel bladgroenkorrels
d)
wel een celkern, geen bladgroenkorrels, wel celwand
41.
Hiernaast zie je een organisme uit het rijk der schimmels. Hoe planten deze zich voort?
a)
door paddestoelen
b)
door sporen
c)
door zaadjes
d)
door uitlopers
42.
Zwemmerseczeem is een voorbeeld van een schadelijke schimmel?
a)
Juist
b)
Onjuist, deze wordt veroorzaakt door een allergische reactie
c)
Onjuist, deze wordt veroorzaakt door een bacterie
43.
Hoe komt zuurkool aan de zure smaak?
a)
dit komt omdat het eigenlijk bedorven is
b)
dit komt omdat schimmels een zuur afgeven aan de kool
c)
dit komt omdat  zuurkool van zichzelf al zuursmaakt
d)
dit komt omdat bacteriën melkzuur aanmaken en dit afgeven aan de kool
44.
Stel ik begin met een bacteriekolonie van 20 bacteriën. Deze bacterie plant zich elke 7,5 minuut voort. Hoeveel bacteriën heb ik er na een uur?
a)
2560 bacteriën
b)
5120 bacteriën
c)
10240 bacteriën
d)
160 bacteriën
45.

Welke twee stammen ken je binnen het groep van de planten?

a)

wieren en sporenplanten

b)

sporenplanten en zaadplanten

c)

wieren en zaadplanten

46.
Een onderzoeker is organisme aan het bekijken: dit organisme heeft wel een celwand, wel een celkern, maar geen bladgroenkorrels
a)
Plant
b)
Dieren
c)
Bacteriën
d)
Schimmels
47.
Hiernaast zie je de voortplanting van een organisme weer gegeven in een grafiek. Bij welk rijk zal dit organisme horen?
a)
Planten
b)
Bacteriën
c)
Schimmels
d)
Dieren
48.
Om een infectie aan te tonen onderzoekt een dokter een uitstrijkje. De dokter bekijkt dit uitstrijkje onder de microscoop. Hij ziet naast slijmvliescellen ook cellen van de ziekteverwekker. Deze cellen hebben een celwand. Kan de arts hieruit afleiden of de ziekte verwekker een bacterie of schimmel is?
a)
Ja, het is een schimmel
b)
Ja, het is een bacterie
c)
Nee, hij kan dit hieruit niet afleiden
49.

Tot welke STAM van het dierenrijk behoort het dier in de afbeelding?

a)

Stekelhuidigen

b)

Zoogdieren

c)

Gewervelden

d)

Weekdieren

50.

Tot welk STAM behoort onderstaand organisme?

a)

Sponzen

b)

Neteldieren

c)

Gewervelden

d)

Weekdieren

e)

Geleedpotigen

51.

Tot welke groep (klasse) behoort het dier in de afbeelding

a)

Insecten

b)

Spinachtigen

c)

Geleedpotigen

d)

Dieren

52.

Een mier heeft een uitwendig skelet

a)

Juist

b)

Onjuist

53.

Een krokodil is veelzijdig symmetrisch

a)

Juist

b)

Onjuist

54.

Hieronder staan 4 antwoorden. Welk antwoord is een stam.

a)

Dieren

b)

Zoogdieren

c)

Geleedpotigen

d)

Planten

55.

Welk antwoord is een rijk

a)

Planten

b)

Sporenplanten

c)

Gewervelden

d)

Vissen

56.
Welke onderdelen komen voor bij plantencellen en niet bij schimmelcellen?
a)
Celwanden
b)
Bladgroenkorrels
c)
Celkernen
d)
Vacuoles
57.
Bij welk rijk hebben de organismen zulke cellen?
a)
Bacteriën
b)
Schimmels
c)
Planten
d)
Dieren
58.
Bacteriën planten zich meestal voort door sporen
a)
Juist
b)
Onjuist
59.
Bacteriën zijn nuttig als opruimers van dode resten van organismen in de natuur.
a)
Juist
b)
Onjuist
60.
Bacteriën kunnen voedsel doen bederven
a)
Juist
b)
Onjuist
61.
Een bacteriële infectieziekte kan worden bestreden met antibiotica
a)
Juist
b)
Onjuist
62.
Gisten bestaan uit schimmeldraden
a)
Juist
b)
Onjuist
63.
Veelcellige schimmels planten zich meestal voort door deling
a)
Juist
b)
Onjuist
64.
Paddenstoelen hebben een functie bij de voortplanting van schimmels
a)
Juist
b)
Onjuist
65.
Tot welke afdeling behoort de adelaarsvaren?
a)
Algen
b)
Zaadplanten
c)
Sporenplanten
d)
Varens
66.
Bij welke afdeling komen planten voor met orgaantjes zoals op het plaatje?
a)
Algen
b)
Sporenplanten
c)
Zaadplanten
d)
Anders
67.
Tot welke afdeling behoort deze plant?
a)
Algen
b)
Sporenplanten
c)
Zaadplanten
d)
Anders
68.
Tot welke afdeling van het dierenrijk behoort de zeekat?
a)
Geleedpotigen
b)
Gewervelden
c)
Holtedieren
d)
Weekdieren
69.
Hoe plant dit dier zich voort?
a)
Eieren met een schaal
b)
Eieren zonder schaal
c)
Leerachtige eieren
d)
Levendbarend
70.
Zijn vleermuizen warm of koudbloedige dieren?
a)
Warmbloedig
b)
Koudbloedig