wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Brugklas - hoofdstuk 3 Ordening

Total questions: 65

Worksheet time: 51mins

Name
Class
Date
1.
Op basis van welke kenmerken worden de vier grote groepen ingedeeld?
a)
celkern, cytoplasma, celwand
b)
celkern, cytoplasma, celmembraan
c)
celkern, celwand, bladgroenkorrels
d)
celkern, bladgroenkorrels, cytoplasma
2.
Wat is de juiste volgorde van klein naar groot?
a)
ras - soort - geslacht - familie - orde - klasse - afdeling - rijk
b)
ras - geslacht - soort - familie - orde - klasse - afdeling - rijk
c)
ras - geslacht - soort - orde - familie - klasse - afdeling - rijk
d)
ras - soort - geslacht - orde - familie - klasse - afdeling - rijk
3.

Kijk goed naar de afbeelding en maak de zin af. Dit zijn ...

a)

eencelligen en hebben geen celwand

b)

eencelligen en hebben een celwand

c)

meercelligen en hebben geen celwand

d)

meercelligen en hebben een celwand

4.

Kijk goed naar de afbeelding. Welk type cellen is dit?

a)

dieren

b)

planten

c)

schimmels

d)

bacteriën

5.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel kan een bacterie zijn?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

geen van deze

6.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel kan een bacterie zijn?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

geen van deze

7.

Welk celkenmerk heeft het rijk van de bacteriën wel?

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Vacuole

d)

Bladgroenkorrels

8.

Wat is de goede betekenis van taxonomie/systematiek?

a)

Het onderzoeken van een organisme op kenmerken en het opzoeken van zijn naam.

b)

Het indelen van een organisme bij andere organismen met de zelfde karakteristieke kenmerken.

c)

Het deel van de biologie dat zich bezighoudt met het ordenen van organismen.

9.

Bacteriën bestaan uit meerdere cellen

a)

juist

b)

onjuist

10.

Welke cel zie je hier?

a)

Schimmel

b)

Bacterie

c)

Dier

d)

Plant

11.

Welke cel zie je hier?

a)

Schimmel

b)

Bacterie

c)

Dier

d)

Plant

12.

Welke cel zie je hier?

a)

Schimmel

b)

Bacterie

c)

Dier

d)

Plant

13.

Welke cel zie je hier?

a)

Schimmel

b)

Bacterie

c)

Dier

d)

Plant

14.

Prokaryoten hebben geen celkern

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

Welke groep bevat de meeste organismen?

a)

Geslacht

b)

Klasse

c)

Orde

d)

Stam

16.

Bij welk dierrijk past dit dier? (Vis)

a)

Sponsdieren

b)

Geleedpotigen

c)

Weekdieren

d)

Stekelhuidigen

e)

Gewervelden

17.

Wat voor symmetrie heeft het lieveheersbeestje?

a)

Tweezijdig symmetrisch

b)

Veelzijdig symmetrisch

c)

Niet symmetrisch

d)

Vierzijdig symmetrisch

18.

Wat voor symmetrie heeft deze zeester?

a)

Tweezijdig symmetrisch

b)

Veelzijdig symmetrisch

c)

Niet symmetrisch

d)

Negenzijdig symmetrisch

19.

Wat voor symmetrie heeft de rode vingerspons?

a)

Veelzijdig symmetrisch

b)

Niet symmetrisch

c)

Tweezijdig symmetrisch

d)

Vijfzijdig symmetrisch

20.

Wat voor skelet bevat dit dier?

a)

Inwendig skelet

b)

Uitwendig skelet

c)

Geen skelet

21.

Wat voor skelet bevat dit dier?

a)

Inwendig skelet

b)

Uitwendig skelet

c)

Geen skelet

22.

Wat voor skelet bevat dit dier?

a)

Inwendig skelet

b)

Uitwendig skelet

c)

Geen skelet

23.

Bij welk dierrijk past dit dier? (Zee-egel)

a)

Geleedpotigen

b)

Stekelhuidigen

c)

Weekdieren

d)

Neteldieren

e)

Sponsdieren

24.

Bij welk dierrijk past dit dier? (Parelkwal)

a)

Gewervelden

b)

Stekelhuidigen

c)

Weekdieren

d)

Neteldieren

e)

Sponsdieren

25.

Bij welk dierrijk past dit dier?

a)

Gewervelden

b)

Stekelhuidigen

c)

Weekdieren

d)

Geleedpotigen

e)

Sponsdieren

26.

In welke twee domeinen kun je organisme indelen?

a)

Bacteriën en dieren

b)

Bacteriën en eukaryoten

c)

Bacteriën en meercellige

d)

Schimmels en eukaryoten

27.

Bacterie zijn nuttig als:

a)

zich voortplanten

b)

voedsel bederven

c)

doden resten van planeten en dieren opruimen

d)

dood gaan

28.

Nuttige bacteriën helpen bij: (twee antwoorden)

a)

voedsel maken zoals yoghurt en zuurkool

b)

genezen van wonden

c)

helpen voedsel te verteren in de darmen

d)

bederven voedsel

29.

Wat is GEEN gunstige omstandigheid voor een bacterie (om voort te planten)

a)

Kou

b)

warmte

c)

voedselbron

d)

vochtigheid

30.

schimmels zijn:

a)

altijd eencellig

b)

altijd meercellig

c)

kunnen eencellig en meercellig zijn

31.

Welk voedingsmiddel wordt gemaakt met behulp van schimmels? (twee antwoorden goed)

a)

aardappelen en penen

b)

Jam en honing

c)

brood en bier

d)

m&m's en kaas

e)

kaas en wijn

32.

Als een bacterie zich elk halfuur deelt. Hoeveel heb je er dan na 2uur?

a)

4

b)

6

c)

8

d)

16

e)

32

33.

Met wat voor microscoop is deze foto gemaakt?

a)

elektronen microscoop

b)

microscoop

34.

Welk gemeenschappelijk kenmerk hebben de volgende dieren: snoek / honingbij / bruine pad / zilvermeeuw

a)

ze halen adem door middel van kieuwen

b)

ze zijn koudbloedig

c)

ze leggen eieren

d)

ze hebben geen wervels

35.

Wat stellen de groene bolletjes in het vertakkingsschema voor?

a)

Gemeenschappelijke voorouder

b)

Tussensoorten

c)

Tijdsindicatie

d)

Kruising van soorten waardoor er twee nieuwe ontstaan.

36.

Welke organimsen zijn meer aan elkaar verwant?

a)

Reptielen en amfibieën

b)

Reptielen en vogels

c)

Reptielen en vissen

d)

Reptielen en zoogdieren

37.

antibiotica is een ....?

a)

infectieziekte

b)

geneesmiddel afkomstig van de penseelschimmel

c)

geneesmiddel gemaakt van bacteriën

38.

gistcellen planten zich voort door middel van ...?

a)

een knop

b)

schimmeldraden

c)

sporen

39.

varens planten zich voort door middel van ...?

a)

zaden

b)

sporenhoopjes

c)

sporendoosjes

d)

sporenvormende orgaantjes

40.

een mens heeft een ... skelet

a)

inwendig

b)

uitwendig

c)

geen

41.

een zeester is .... symmetrisch

a)

veelzijdig

b)

tweezijdig

c)

niet

42.

Welke onderstaande groep behoort tot de ongewervelden?

a)

insecten

b)

vissen

c)

vogels

d)

amfibieën

43.
Wat is een andere naam voor het ‘op naam brengen’ van een organisme?
a)
Determineren
b)
Nomenclatuur
c)
Benoemen
d)
Stamboom
44.

Welk dier hoort bij de geleedpotigen?

a)
b)
c)
d)
45.

Bij welke geleedpotige bestaat het gehele lichaam uit segmenten?

a)

Kreeftachtigen

b)

Spinachtigen

c)

Insecten

d)

Duizendpoten

46.

Determineer het organisme op de afbeelding. Volg de stappen en schrijf de stappen op de juiste manier op.

Het begin is: 1b -> 2b -> dieren, 6. Begin jouw antwoord met 6.

(a)  

47.

Welke stam van de dieren is niet symmetrisch?

a)

Holtedieren

b)

Wormen

c)

weekdieren

d)

Sponzen

48.

Waar let men op bij de indeling van de geleedpotigen? 2 antwoorden mogelijk.

a)

Waarmee de huid is bedekt

b)

Het aantal poten

c)

Het aantal segmenten

d)

De manier van voortplanten

49.

Welke klasse van de gewervelden zijn koudbloedig? meerdere antwoorden mogelijk.

a)

Vissen

b)

Vogels

c)

Reptielen

d)

Amfibieën

50.

Welke klasse binnen de gewervelden kunnen ademhalen met de huid?

a)

Vissen

b)

Vogels

c)

Amfibieën

d)

Reptielen

51.

Welke klasse binnen de gewervelden leggen eieren? Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

Zoogdieren

b)

Vogels

c)

Reptielen

d)

Vissen

52.

Welke klasse binnen de geleedpotigen hebben 6 poten?

a)

Insecten

b)

Kreeftachtige

c)

Spinnen

53.

Zijn een poedel en een rottweiler van hetzelfde soort? En van hetzelfde ras?

a)

Niet van hetzelfde soort en niet van hetzelfde ras

b)

Wel van hetzelfde soort, maar niet van hetzelfde ras

c)

Niet van hetzelfde soort, maar wel van hetzelfde ras

d)

Zowel van hetzelfde soort als hetzelfde ras

54.

Welke onderdelen heeft een zaadplant?

a)

Bladeren

b)

Bloemen

c)

Wortels

d)

Stengels

55.

Tot welk RIJK behoort de mens?

a)

Gewervelden

b)

Zoogdieren

c)

Dieren

d)

Eukaryoten

56.

Welke onderdelen hebben wieren?

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

e)

Allemaal niet

57.

In de afbeelding kun je een deel van een plant zien. Tot welke stam behoord deze plant?

a)

Tot de mossen

b)

Tot de varens

c)

Tot de zaadplanten

d)

Tot de paardenstaarten

58.

Bij welke stam horen mossen?

a)

wieren

b)

algen

c)

sporenplanten

d)

zaadplanten

59.

BS 4. Bij welke afdeling hoort dit?

- wel wortels

- wel stengels

- wel bladeren

- geen bloemen

a)

Algen

b)

Zaadplanten

c)

Sporenplanten

d)

Geen van allen

60.

Bij welke afdeling komen ééncellige planten voor?

a)

Wieren (algen)

b)

Sporenplanten

c)

Zaadplanten

d)

Alle drie

61.

Welke cel onderdelen heeft een alg?

a)

Celwand

b)

Celkern

c)

Bladgroenkorrels

62.

Bij welke klasse van de gewervelden hoort een vogelbekdier?

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

63.

Bij welke klasse van de gewervelden hoort een salamander?

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

64.

Bij welke klasse van de gewervelden hoort een haai?

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

65.

Welk organisme is in de afbeelding afgebeeld? Een amoebe of een pantoffeldiertje?

(a)