wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4 K Thema 6 Transport

Total questions: 56

Worksheet time: 2hrs 38mins

Name
Class
Date
1.
Op deze afbeelding zie je
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
2.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
3.
De draden waar bij een wondje een korstje van komt worden gemaakt door
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
4.
De cel die midden in deze afbeelding ligt, is voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
5.
De vloeistof die nu boven in de buis zit, is voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
6.
Als het bloed bij een wondje niet meer stolt, kan dat 
a)
leukemie zijn
b)
hemofilie zijn
c)
door een hartinfarct komen
7.
Waar worden rode bloedcellen gemaakt?
a)
Lymfeklieren
b)
In het rode beenmerg
c)
In de lever
d)
In de milt
8.
Wat is de functie van bloedplaatjes
a)
bloedgroepen bepalen
b)
afweer
c)
Bloedstolling
d)
Zuurstof en CO2 vervoeren en opnemen
9.
waar bestaat bloed uit?
a)
bloedplasma, bloedcellen en bloedplaatjes
b)
bloedplasma, lymfevloeistof, witte bloedcellen
c)
bloedplasma, bloedcellen, mineralen
d)
zuurstof, koolstofdioxide, bloedplasma
10.
Rode Bloedcellen hebben een celkern en vervoeren zuurstof
a)
Juist
b)
Onjuist
11.
Bloedplaatjes spelen een rol bij de bloedstolling
a)
Juist
b)
Onjuist
12.
Wat is etter of pus?
a)
Dode rode bloedcellen en kapotte bloedplaatjes
b)
Dode rode- en witte bloedcellen
c)
Dode witte bloedcellen en gedode bloedplaatjes
d)
Dode witte bloedcellen en gedode bacteriën
13.
Hoe heet onderdeel 1
a)
Linkerboezem
b)
Llinkerkamer
c)
Rechterboezem
d)
Rechterkamer
14.
Hoe heet onderdeel 3
a)
aorta
b)
bovenste holle ader
c)
onderste holle ader
d)
kransslagader
15.
Met welke nummer wordt  linkerkamer aangeven?
a)
7
b)
9
c)
10
d)
12
16.
Zuurstofrijk bloed gaat naar het hart via de....
a)
Longslagader
b)
Longader
c)
Longhaarvat
d)
Aorta
17.
Hoe heet onderdeel D in deze figuur?
a)
rechterboezem
b)
linkerboezem
c)
rechterkamer
d)
linkerkamer
18.

Waaruit bestaat het bloedvatenstelsel van de mens?

a)

hart

b)

hersenen

c)

bloedvaten

d)

zenuwen

19.

Hoe worden de grote en de kleine bloedsomloop genoemd?

a)

algemene bloedsomloop

b)

menselijke bloedsomloop

c)

dubbele bloedsomloop

20.

De dubbele bloedsomloop gaat bij een omloop 2 keer door ......

a)

de longen

b)

het hart

c)

de organen

d)

de hersenen

21.

Waar gaat de kleine bloedsomloop naar toe?

a)

de hersenen

b)

alle organen

c)

de longen

d)

de darmen

22.

Waar gaat de grote bloedsomloop naar toe?

a)

alle organen van het lichaam

b)

de longen

c)

de hersenen

23.

Wat haalt de kleine bloedsomloop op?

a)

Koolstofdioxide ( CO2)

b)

zuurstof

c)

hemoglobine

d)

stikstof

24.

Wat brengt de grote bloedsomloop naar alle cellen in het lichaam?

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide (CO2)

c)

voedingstoffen

d)

afvalstoffen

25.

Waar komt het bloed het hart binnen?

a)

in de boezems

b)

in de kamers

26.

Hoe heet de grote lichaamsslagader?

a)

longslagader

b)

aorta

c)

holle ader

d)

longader

27.

Is de longslagader zuurstofrijk of zuurstofarm?

a)

zuurstofrijk

b)

zuurstofarm

28.

Hoe heet het bloedvat van de longen naar het hart?

a)

holle ader

b)

longslagader

c)

aorta

d)

longader

29.

Waar zitten de halvemaansvormige kleppen?

a)

tussen boezem en kamer

b)

aan het begin van de aorta

c)

aan het begin van de longslagader

d)

aan het begin van de longader

30.

Hoe noemen we deze kleppen?

a)

hartkleppen

b)

halvemaanvormige kleppen

31.

Hoe noemen we deel 2?

a)

longslagader

b)

longader

c)

aorta

d)

holle ader

32.

Hoe noemen we nummer 13?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

33.

Hoe noemen we nummer 1?

a)

longslagader

b)

aorta

c)

holle ader

d)

longader

34.

Met welk nummer is een slagader aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

35.

Wat is dit voor een bloedvat?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

36.

Waar worden zuurstof en voedingsstoffen afgegeven aan het bloed?

a)

slagaders

b)

aders

c)

haarvaten

37.

Welke slagader bevat weinig zuurstof?

a)

aorta

b)

longslagader

38.

In welk bloedvat is de bloeddruk hoog?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

39.

Welke wand is het dunst?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

40.

Welke bloedvaten gaan van het hart af?

a)

slagaders

b)

aders

c)

haarvaten

41.

Welke bloedvaten lopen naar het hart toe?

a)

slagaders

b)

aders

c)

bloedvaten

42.
Op deze afbeelding zie je
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
43.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
44.
De draden waar bij een wondje een korstje van komt worden gemaakt door
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
45.
De cel die midden in deze afbeelding ligt, is voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
46.
In de afbeelding hiernaast tref je een aantal verschillende bloeddeeltjes aan. Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 3
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedpaatjes
d)
Bloedplasma
47.
Met welke nummer wordt witte bloedcellen aangeven?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
48.
Bij welke  aandoening heb je een bloedstolsel binnen een bloedvat, zoals bijvoorbeeld in je been?
a)
Hartinfarct
b)
Trombose
c)
Bloedarmoede
d)
aderverkalking
49.
Witte bloedcellen hebben een celkern en kunnen van vorm veranderen
a)
Juist
b)
Onjuist
50.
Wat is JUIST als het om slagaders gaat?
a)
Er stroomt altijd zuurstofrijk bloed door.
b)
Bloed stroomt altijd van het hart af.
c)
Bloed is altijd helderrood dat hier doorheen stroomt.
d)
Je hebt er maar 4 van in je lichaam.
51.
Bij welk type bloedvaten kunnen witte bloedcellen door de wand heen?
a)
Slagaders
b)
Aders
c)
Haarvaten
d)
Poortader
52.
Wat is de functie van kleppen?
a)
Zodat je bloed niet terug kan stromen
b)
Zodat je bloeddruk daalt
c)
Zodat je bloed gescheiden wordt
53.
Welk bloedvat geeft je hartspier zuurstof en voeding?
a)
Kransader
b)
Aorta
c)
Holle ader
d)
Kransslagader
54.
Hoe heet het bloedvat dat tussen je darmen en lever zit?
a)
Leverslagader
b)
Darmader
c)
Poortader
d)
Darmslagader
55.
Wat is GEEN functie van een lymfeknoop?
a)
Het maken van witte bloedcellen.
b)
Het maken van rode bloedcellen.
c)
Zorgen voor de afvoer van lymfe.
d)
Geen idee..
56.
Wat is een mogelijk gevolg van slagaderverkalking?
a)
(Hersen-/hart-) infarct
b)
Hartaanval
c)
Dik worden
d)
Constipatie