Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Spelling H11

Total questions: 17

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Waar of niet waar:

Bij zelfstandige naamwoorden die eindigen op een -a, -o, -u, -i of -y, schrijf je 's in het meervoud.

a)

Waar

b)

Niet waar

2.

Waar of niet waar:

Bij zelfstandige naamwoorden die eindigen op twee of drie samenklinkende klinkers, schrijf je in het meervoud een s aan het woord vast.

a)

Waar

b)

Niet waar

3.

Wat is het meervoud van positie?

a)

positiën

b)

positieën

c)

posities

d)

positie's

4.

Wat is het meervoud van penalty?

a)

penalty's

b)

penaltys

c)

penalties

d)

penaltiën

5.

Wat is het meervoud van blad? Let op er zijn meerdere antwoorden goed

a)

bladen

b)

bladeren

c)

blads

d)

bladden

6.

Wat is het voltooid deelwoord van verbazen?

a)

verbaast

b)

verbaasd

c)

geverbaast

d)

geverbaasd

7.

Wat is het voltooid deelwoord van herstellen?

a)

herstelt

b)

hersteld

c)

herstelde

d)

gehersteld

8.

Wat is het onvoltooid deelwoord van fietsen ?

a)

gefietst

b)

gefietsd

c)

fietsend

d)

fietsent

9.

Vul de juiste vorm van het woord tussen haakjes in:

Toen Joep tegen het (brons) beeld tikte, viel het om.

a)

bronsen

b)

bronse

c)

bronzen

d)

bronze

10.

Vul de juiste vorm van het woord tussen haakjes in:

Deze (ambitie) jongen wil snel een eigen bedrijf beginnen.

a)

ambitieuze

b)

ambitieuse

c)

ambities

d)

ambiteuzen

11.

Vul de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes in de verleden tijd in:

Drie brandweerkorpsen (blussen) de brand in de meubelfabriek.

a)

bluste

b)

blusten

c)

blusden

d)

blusde

12.

Vul de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes in de verleden tijd in:

Toen de aarde (beven) en trilde, vreesden de mensen voor hun leven.

a)

beevde

b)

beefte

c)

beefde

d)

beefden

13.

Vul de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes in de verleden tijd in:

(drogen) de mensen de was vroeger aan een waslijn?

a)

droogden

b)

droogde

c)

droogten

d)

droogte

14.

Vul de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes in de verleden tijd in:

Wij (rijden) door het land en keken naar het landschap.

a)

rijdden

b)

rijden

c)

reden

d)

reeden

15.

Vul de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes in de verleden tijd in:

Nederland (winnen) alle wedstrijden, behalve de finale.

a)

winde

b)

won

c)

wonnen

d)

winden

16.

Waar of niet waar: onderstaande zin staat in de directe rede.

'Wanneer moet ik het boekverslag inleveren?' vroeg Simon

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

Waar of niet waar: onderstaande zin staat in de indirecte rede.

Onze mentor zegt dat de toets Frans een week wordt uitgesteld.

a)

Waar

b)

Niet waar