wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

VWO Domein E Straling en Materie

Total questions: 69

Worksheet time: 1hrs 8mins

Name
Class
Date
1.

Welke soort elektromagnetische straling zie je op de afbeelding?

a)

kosmische straling

b)

gammastraling

c)

infrarood-straling

d)

röntgenstraling

e)

microgolven

2.

Dit raam lijkt zwart.

Dit komt doordat ...

a)

het licht wordt teruggekaatst

b)

het licht wordt doorgelaten

c)

het licht wordt geabsorbeerd

3.

Welke soort elektromagnetische straling zie je op de afbeelding?

a)

zichtbaar licht

b)

ultraviolet-straling

c)

kosmische straling

d)

tv-golven

4.
Licht is ...
a)
Elektromagnetische Straling
b)
Röntgen Straling
c)
Radiogolven
5.
Wat gebeurt er met licht dat op een voorwerp schijnt? 
a)
Transmissie, Reflectie en Terugkaatsing
b)
Reflectie, Absorptie en Transmissie
c)
Terugkaatsing, Transmissie en Doorlating
6.
Als een voorwerp rood is, wordt alleen het rode licht door het voorwerp opgenomen. 
a)
Waar
b)
Niet Waar
7.
Bij een convergente lichtbundel komen de lichtstralen samen. 
a)
Waar
b)
Niet Waar 
8.
Bij een evenwijdige bundel gaan de lichtstralen uit elkaar.
a)
Waar
b)
Niet Waar
9.
Breking van licht treed op bij een grensoppervlak tussen twee stoffen.  
a)
Waar
b)
Niet Waar 
10.
De Invalshoek is..
a)
Hoek A
b)
Hoek B
11.

Een warmtescan kun je gebruiken om warmteverlies van je woning op te sporen.

a)

Infrarode straling

b)

microgolven

c)

rontgenstraling

d)

ultraviolette straling

12.

Emirhan zegt: 'Röntgenstraling kun je tegenhouden met een vel papier.'

Krista zegt: 'Röntgenstraling heeft een klein doordringend vermogen.'

a)

Emirhan en Krista hebben allebei gelijk

b)

Emirhan heeft gelijk, Krista heeft ongelijk

c)

Emirhan heeft ongelijk, Krista heeft gelijk

d)

Emirhan en Krista hebben allebei ongelijk

13.

Stralingsenergie kan worden omgezet in warmte.

a)

als de straling door een voorwerp wordt doorgelaten

b)

als de straling door een voorwerp wordt geabsorbeerd

c)

als de straling door een voorwerp wordt teruggekaatst.

14.

Ir-straling is gevaarlijk omdat het een zwak ioniserende straling is

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

Ir-straling is niet ioniserend, daarom zijn veiligheidsregels overbodig.

a)

Waar

b)

Niet Waar

16.

UV-straling is minder schadelijk dan IR-straling

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

Tegen ioniserende straling moet je jezelf beschermen.

a)

Waar

b)

Niet waar

18.

In Pennsylvania, in de buurt van een vindplaats voor uraniumerts, zijn honderden huizen besmet met uitzonderlijk hoge concentraties radioactieve straling.


Marije beweert: “Uraniumerts is een natuurlijk voorkomend gesteente, dus noem je deze stof natuurlijk radioactief.”

Alec beweert: “Alleen voor natuurlijke radioactieve stoffen kun je gebruik maken van een geigerteller.”

a)

M en A hebben allebei gelijk

b)

M heeft ongelijk, A heeft gelijk

c)

M en A hebben allebei ongelijk

d)

M heeft gelijk, A heeft ongelijk

19.
Long sound waves are...
a)
high pitched
b)
low pitched
c)
medium pitched
20.
Short sound waves are...
a)
high pitched
b)
low pitched
c)
medium pitched
21.
When the car moves AWAY from you, its horn seems...
a)
Low pitched
b)
High pitched
c)
Normal
22.
When an ambulance move TOWARD you it sounds ________ pitched. 
a)
high
b)
low
c)
medium
23.
The Doppler effect is seen when a wave-making source moves toward an observer. 
a)
True
b)
False
24.
The Doppler effect occurs when an observer moves towards a wave-making source. 
a)
True
b)
False
25.
The Doppler effect occurs when an observer moves away from a wave-making  source. 
a)
True
b)
False
26.
What can you tell about this object's motion?
a)
Moving to the North (up).
b)
Moving to the South (down). 
c)
Moving to the West (left). 
d)
Moving to the East (right). 
27.
When a car moves towards you, the sound of its horn seems relatively...
a)
Low pitched
b)
High pitched
c)
Normal
28.
What direction is this object moving?
a)
left
b)
right
c)
up
d)
down
29.
What can you tell about the motion of this object?
a)
Moving left.
b)
Moving right quickly.
c)
Standing still. 
d)
Moving up slowly. 
30.

Welke is/zijn correct?

a)
b)
c)
d)
31.

De diameter van de spoel is van invloed op de sterkte van het magneetveld.

a)

wel

b)

niet

c)

soms

32.

Welke stof heeft de meeste energie nodig om 1 gram van een stof 1 ℃ te verwarmen?

a)

IJzer

b)

Olijfolie

c)

Hout

d)

Water

33.

Ninke en Wim gaan olijfolie verwarmen.

Ninke verwarmt 1 gram olijfolie van 15℃ naar 16 ℃.

Wim verwarmt 1 gram olijfolie van 75 ℃ tot 76 ℃.

a)

Ninke en Wim moeten evenveel warmte toevoegen.

b)

Ninke moet meer warmte toevoegen.

c)

Wil moet meer warmte toevoegen.

34.

Bepaal welke stof de grootste soortelijke warmte heeft?

a)

Stof 1

b)

Stof 2

35.

De formule Q = c ∙ m ∙ ∆T kan ik omschrijven, zodat ik de soortelijke warmte kan uitrekenen. Welke omgeschreven formule is juist?

a)

c = Q ∙ m ∙ ∆T

b)
c)
d)
36.

Bereken hoeveel warmte er vrijkomt bij het afkoelen van 50 gram ijzer. De soortelijke warmte van ijzer is 0,46 J/g∙℃.

a)

-1886 J

b)

1886 J

c)

2530 J

d)

-2530 J

37.

Bereken de soortelijke warmte van water. Er wordt 1415 gram water opgewarmd in een waterkoker met een vermogen van 1970 Watt.

a)

0,020 J/g∙℃

b)

0,017 J/g∙℃

c)

4,18 J/g∙℃

d)

2,92 J/g∙℃

38.
Een vorm van energietransport zonder tussenkomst van materie
a)
geleiding
b)
stroming
c)
radiatie
39.
Een vorm van energietransport zonder merkbare verplaatsing van materie
a)
geleiding
b)
stroming
c)
radiatie
40.
Een vorm van energietransport met merkbare verplaatsing van materie
a)
geleiding
b)
stroming
c)
radiatie
41.
Drie blokjes uit verschillende materialen maar met dezelfde massa worden in een diepvries geplaatst. De hoeveelheid warmte die de diepvries per tijdseenheid aan de voorwerpen onttrekt is constant. De figuur toont het verloop van de temperatuur van de materialen in functie van de tijd. Rangschik de onderstaande materialen volgens stijgende stoltemperatuur
a)
1-2-3
b)
2-3-1
c)
3-2-1
d)
1-3-2
42.
Aan een stof wordt warmte toegevoegd. Het verloop van de temperatuur  functie van de toegevoegde warmte is op de figuur weergegeven. Welk verband bestaat er tussen de specifieke warmtecapaciteit van de stof in vaste fase en de specifieke warmtecapacitiet van de stof in vloeibare fase?
a)
cvast = cvloeibaar
b)
2 cvast = cvloeibaar
c)
cvast = 2 cvloeibaar
d)
je kan hier geen uitspraak over doen
43.
Drie blokjes uit verschillende materialen maar met dezelfde massa worden in een diepvries geplaatst. De hoeveelheid warmte die de diepvries per tijdseenheid aan de voorwerpen onttrekt is constant. De figuur toont het verloop van de temperatuur van de materialen in functie van de tijd. Rangschik de stoffen volgens stijgende  specifieke smeltwarmte
a)
1-2-3
b)
2-3-1
c)
3-2-1
d)
1-3-2
44.
Drie blokjes uit verschillende materialen maar met dezelfde massa worden in een diepvries geplaatst. De hoeveelheid warmte die de diepvries per tijdseenheid aan de voorwerpen onttrekt is constant. De figuur toont het verloop van de temperatuur van de materialen in functie van de tijd. Rangschik de stoffen volgens stijgende specifieke warmtecapaciteit van de vloeibare toestand
a)
1-2-3
b)
2-3-1
c)
3-2-1
d)
1-3-2
45.
Drie blokjes uit verschillende materialen maar met dezelfde massa worden in een diepvries geplaatst. De hoeveelheid warmte die de diepvries per tijdseenheid aan de voorwerpen onttrekt is constant. De figuur toont het verloop van de temperatuur van de materialen in functie van de tijd. Rangschik de stoffen volgens stijgende specifieke warmtecapaciteit van de vaste toestand
a)
1-2-3
b)
2-3-1
c)
3-2-1
d)
1-3-2
46.
Aan 100 g ijs op 0°C wordt 100 G kokend water toegevoegd. Welke grafiek beschrijft best de verloop van de temperatuur van het ijs en het water in functie van de tijd. De invloed van het vat mag je verwaarlozen
a)
grafiek A
b)
grafiek B
c)
grafiek C
d)
grafiek D
47.
Wie heeft gelijk
a)
Lindsey
b)
Bart
c)
Jonathan
d)
Ze hebben alle drie gelijk
48.
Een stof met een hoge specifieke warmtecapaciteit:
a)
is altijd zeer warm.
b)
heeft veel energie nodig om 'op te warmen'
c)
is licht
d)
heeft weinig energie nodig om op te warmen
49.
Thermische energie gaat steeds:
a)
van een voorwerp met een hoge temperatuur naar een voorwerp met een lage temperatuur
b)
van een voorwerp met een lage naar een hoge temperatuuur
c)
van een voorwerp met een lage naar een hoge kinetische energie
d)
van een voorwerp met een grote massa naar een voorwerp met een kleine massa
50.
Een kopje water van 40°C en een kopje water van 5°C staan op een tafel. Welke grafiek heeft correct het verloop van de temperatuur in functie van de tijd weer?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
51.
Door welke vorm van energietransport  verbrand je als je in de zon loopt?
a)
geleiding
b)
straling
c)
stroming
52.
Wanneer thermische energie wordt toegevoegd aan een stof dan zullen de deeltjes van deze...
a)
sneller bewegen en op een grotere afstand van elkaar zitten
b)
sneller bewegen en dichter bij elkaar zitten
c)
trager bewegen en op een grotere afstand van elkaar zitten
d)
trager bewegen en op een kleinere afstand van elkaar zitten
53.
De specifieke smeltingswarmte van een stof is
a)
de warmte die nodig is om een stof te smelten
b)
de warmte die nodig is om 1kg van een stof om te zetten van vloeibare naar vaste toestand
c)
de warmte die nodig is om een stof om te zetten van vaste naar vloeibare toetstand
d)
de warmte die nodig is om 1 kg van een vaste stof om te zetten in 1 kg vloeistof
54.
Tijdens de faseovergang van water naar ijs zal
a)
zal de temperatuur dalen. 
b)
zal er een volumevermeerdering optreden.
c)
zal er een volumevermindering optreden
d)
zal de kinetische energie van de moleculen dalen
55.
Twee blokken zijn gemaakt van hetzelfde materiaal maar hebben een verschillende massa. Beide blokken hebben dezelfde temperatuur. Welk blok bezit de hoogste inwendige energie?
a)
het grootste blok
b)
het kleinste blok
c)
beide blokken hebben dezelfde inwendige energie
d)
geen van beide blokken heeft inwendige energie
56.
Als je een ijsblokje in je drankje doet, wordt het koel omdat
a)
het smelten van het ijsblokje koude afgeeft aan het drankje 
b)
het smelten van het ijsblokje warmte onttrekt aan het drankje 
c)
het verdampen van het drankje afgeremd wordt door de koude die het ijsblokje afgeeft. 
57.
Welke factor bevordert de vrije verdamping niet?
a)
temperatuur
b)
grootte van het vrije vloeistofoppervlak
c)
hoge luchtvochtigheid
d)
luchtstroming boven de vloeistof
58.
Welke vorm van warmtetransport wordt voorgesteld door elk nummer?
a)
1: geleiding
2: straling
3:stroming
b)
1: geleiding
2: stroming
3:straling
c)
1:stroming
2:geleiding
3:straling
d)
1:straling
2:stroming
3:geleiding
59.

In een Joulemeter zit een vloeistof. In de vloeistof wordt een elektrisch verwarmingsapparaatje (een ‘dompelaar’) gehangen. Het vermogen van die dompelaar is 500 W en er wordt gedurende 2,00 minuten verwarmd. De temperatuur in de Joulemeter stijgt daarbij van 20,0 ºC naar 36,0 ºC. Neem aan dat er geen warmte verloren gaat aan de omgeving. Bereken de warmtecapaciteit van de joulemeter met inhoud.

a)

62,5 J/ ºC

b)

625 J/ ºC

c)

3,75 kJ/ ºC

d)

16,0 kJ/ ºC

60.

Om een pakje melk uit de koeling in je lichaam op te warmen: Bereken energie daarvoor nodig .

Gegevens gebruiken: 1,00 dm3 melk heeft massa van 1,04 kg (dichtheid is dus ?). Om 1,00 kg melk een graad in temperatuur te verhogen heb je 3,90 kJ energie nodig (de soortelijke warmte is dus ? ).

In een pakje melk zit precies 0,250 dm3 . De melk komt uit een koeling van 10,0 °C Hoeveel energie moet je leveren om die melk op een lichaamstemperatuur van 37,0 °C te brengen?

a)

9,75 kJ

b)

26,3 kJ

c)

27,4 kJ

d)

37,5 kJ

61.

In een bubbelbad zit 0,500 m³ water van 18,0 °C. Het verwarmingsapparaat van het bubbelbad kan het water in een kwartier opwarmen tot 24,0°C. Bereken hoe groot het vermogen tenminste zou moeten zijn. De soortelijke warmte van water4,18·103 J per kg per °C, de warmtecapaciteit van bad zelf is 4,00 KJ per °C. Dichtheid van water: 1,00 kg/dm³.

a)

1,49 kW

b)

13,9 kW

c)

14,0 kW

d)

8,37. 102 kW

62.

Eerst wordt m gram van een vloeistof A verwarmd, daarna dezelfde hoeveelheid van een andere vloeistof B. Voor beide vloeistoffen is het verband tussen de aan de vloeistof toegevoerd warmte en de temperatuur van de stof in de onderstaande figuur weergegeven.

Wat weet je van de soortelijke warmte A en B van deze twee vloeistoffen

a)

A = B

b)

A < B

c)

A > B

d)

Niet te bepalen omdat de stoffen niet dezelfde eindtemperatuur krijgen.

63.
de temperatuur van smeltend ijs is
a)
veranderlijk
b)
constant 0 graad celcius
c)
constant 0 fahrenheit
d)
constand 100 graad celcius
64.
kokend water heeft een temperatuur van
a)
0 graad celcius
b)
10 graad celcius
c)
100 graad celcius
d)
100 fahrenheit
65.
een koperen staaf van 10 cm bij kamertemperatuur wordt in de koelkast
a)
korter
b)
langer
c)
dikker
d)
er gebeurt niets
66.
vloeistoffen zetten meer uit dan vaste stoffen
a)
waar
b)
niet waar
c)
maakt niet uit
67.
Gassen kunnen ook uit zetten
a)
waar
b)
niet waar
c)
maakt niet uit
68.

smeltend zuiver ijs heeft een temperatuur van

a)

173 k

b)

0 K

c)

00 C

d)

00 F

69.

kokend zuiver water heeft een temperatuur van

a)

273 K

b)

373 K

c)

173 K

d)

100 K