wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

paragraaf 9.4 en 9.5 VWO 2

Total questions: 65

Worksheet time: 2hrs 44mins

Name
Class
Date
1.
Wat is de functie van witte bloedcellen?
a)
zuurstof transporteren
b)
ziekteverwekkers onschadelijk maken
c)
het bloed laten stollen
2.
Waar bevindt zich hemoglobine?
a)
In de rode bloedcellen
b)
In het bloedplasma
c)
In de bloedplaatjes
3.
De kleine bloedsomloop begint in de rechterkamer.
a)
niet waar
b)
waar
4.
Waar bevindt zich zuurstofrijk bloed?
a)
linkerkamer
b)
rechterkamer
c)
longslagader
5.
Hoeveel keer trekt zich een hartspier van een volwassene samen per minuut?
a)
70 keer
b)
20 keer
c)
40 keer
6.
Wanneer zijn de hartkleppen gesloten?
a)
Als de boezems zich samentrekken
b)
tijdens de hartpauze
c)
Als de kamers zich samentrekken
7.
Wat hebben deze soort cellen als functie?
a)
het vervoeren van voedingstoffen
b)
het gezond houden van het bloedvat
c)
het laten ontstaan van korstjes 
d)
het vervoeren van zuurstof
8.
Wanneer heb je bloedarmoede?
a)
als je te weinig bloed hebt
b)
als je te weinig bloedplaatjes hebt
c)
als je te weinig rode bloedcellen hebt
d)
als je te weinig bloedplasma hebt
9.
Pus bevat heel veel?
a)
dode witte bloedcelllen
b)
dode rode bloedcellen
c)
dode bloedplaatjes
d)
Dood bloedplasma
10.
De grote bloedsomloop begint in de:
a)
rechterboezem
b)
linkerboezem
c)
rechterkamer
d)
linkerkamer
11.
De grote bloedsomloop eindigt in de:
a)
rechterboezem
b)
linkerboezem
c)
rechterkamer
d)
linkerkamer
12.
De kleine bloedsomloop eindigt in de:
a)
rechterboezem
b)
linkerboezem
c)
rechterkamer
d)
linkerkamer
13.
De kleine bloedsomloop gaat langs:
a)
longen
b)
hersenen
c)
maag 
d)
lever
14.
De grote bloedsomloop gaat niet langs:
a)
longen
b)
hersenen
c)
maag 
d)
lever
15.
Het bloed in de grote bloedsomloop is aan het eind:
a)
zuurstofarm
b)
zuurstofrijk
16.
Het bloed in de kleine bloedsomloop is aan het eind:
a)
zuurstofarm
b)
zuurstofrijk
17.
De onderste holle ader vervoert bloed uit:
a)
alles onder het hart
b)
bij de benen en de romp
c)
de benen
d)
de romp
18.
hoe heet de dunste soort vertakking bij de bloedvaten
a)
haarvaten
b)
huidvaten
c)
celvaten
d)
microvaten
19.
Slagaders brengen bloed naar een orgaan.
a)
Waar
b)
Niet waar
20.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
21.
waar bestaat bloed uit?
a)
bloedplasma, bloedcellen en bloedplaatjes
b)
bloedplasma, lymfevloeistof, witte bloedcellen
c)
bloedplasma, bloedcellen, mineralen
d)
zuurstof, koolstofdioxide, bloedplasma
22.
In het lichaam van een mens bevindt zich ongeveer
a)
4 liter bloed
b)
5 liter bloed
c)
6 liter bloed
d)
7 liter bloed
23.
De volgorde van een volledige hartslag is:
a)
boezemslag -> kamerslag -> hartpauze
b)
kamerslag -> boezemslag -> hartpauze
c)
boezemslag -> hartpauze -. kamerslag
d)
hartpauze -> kamerslag -> boezemslag
24.
Hoe heet onderdeel 1
a)
Linkerboezem
b)
Llinkerkamer
c)
Rechterboezem
d)
Rechterkamer
25.
Hoe heet onderdeel 3
a)
aorta
b)
bovenste holle ader
c)
onderste holle ader
d)
kransslagader
26.
Met welke nummer wordt  linkerkamer aangeven?
a)
7
b)
9
c)
10
d)
12
27.
Met welke nummer word de longslagader aangeven?
a)
2
b)
4
c)
5
d)
6
28.
Iemand heeft longontsteking hiertegen medicijnen. Via welke weg komen de geslikte medicijnen, na opnamen in het bloed, in de cellen van de longen terecht?
a)
Via de grote en de kleine bloedsomloop
b)
alleen via de kleine bloedsomloop
c)
Alleen via de grote bloedsomloop
d)
Niet via de kleine en via de grote bloedsomloop
29.
Welke kenmerk hoort niet bij slagaders?
a)
Liggen diep in het lichaam
b)
Hoge bloed druk
c)
Dikke elastische wand
d)
Bevat veel kleppen
30.
Welke onderstaande bloedvaten is zuurstofarm
a)
Aorta
b)
Kransslagader
c)
Longslagader
d)
Longader
31.
Het hart heeft veel spierweefsel.
Welk deel van het hart is het meest gespierd?
a)
Linkerboezem
b)
Rechterboezem
c)
Linkerkamer
d)
Rechterkamer
32.
Welk  bloedbestanddeel van de mens is het meest geschikt om voedingsstoffen te transporteren (vervoeren)?
a)
Rode bloedcellen
b)
Bloedplaatjes 
c)
Witte bloedcellen
d)
Bloedplasma
33.
Bij welke  aandoening heb je een bloedstolsel binnen een bloedvat, zoals bijvoorbeeld in je been?
a)
Hartinfarct
b)
Trombose
c)
Bloedarmoede
d)
aderverkalking
34.

Waaruit bestaat het bloedvatenstelsel van de mens?

a)

hart

b)

hersenen

c)

bloedvaten

d)

zenuwen

35.

De dubbele bloedsomloop gaat bij een omloop 2 keer door ......

a)

de longen

b)

het hart

c)

de organen

d)

de hersenen

36.

Waar gaat de grote bloedsomloop naar toe?

a)

alle organen van het lichaam

b)

de longen

c)

de hersenen

37.

Wat haalt de kleine bloedsomloop op?

a)

Koolstofdioxide ( CO2)

b)

zuurstof

c)

hemoglobine

d)

stikstof

38.

Wat brengt de grote bloedsomloop naar alle cellen in het lichaam?

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide (CO2)

c)

voedingstoffen

d)

afvalstoffen

39.

Waar komt het bloed het hart binnen?

a)

in de boezems

b)

in de kamers

40.

Welke helft van het hart bevat bloed met veel zuurstof?

a)

rechterhelft

b)

linkerhelft

41.

Hoe groot is ons hart?

a)

als een voet

b)

als een bloemkool

c)

als een vuist

42.

Hoe heet de grote lichaamsslagader?

a)

longslagader

b)

aorta

c)

holle ader

d)

longader

43.

Hoe heet het bloedvat van de longen naar het hart?

a)

holle ader

b)

longslagader

c)

aorta

d)

longader

44.

Wat is de functie van hartkleppen?

a)

zorgen ervoor dat het bloed sneller stroomt

b)

zorgen ervoor dat het bloed niet terug kan stromen

c)

zorgt ervoor dat het bloed niet kan klonteren

45.

Met welk nummer is een slagader aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

46.

Wat is dit voor een bloedvat?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

47.

Waar worden zuurstof en voedingsstoffen afgegeven aan het bloed?

a)

slagaders

b)

aders

c)

haarvaten

48.

In welk bloedvat is de bloeddruk hoog?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

49.

Welke wand is het dunst?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

50.

Welke bloedvaten gaan van het hart af?

a)

slagaders

b)

aders

c)

haarvaten

51.

Welke bloedvaten lopen naar het hart toe?

a)

slagaders

b)

aders

c)

bloedvaten

52.
Wat is JUIST als het om slagaders gaat?
a)
Er stroomt altijd zuurstofrijk bloed door.
b)
Bloed stroomt altijd van het hart af.
c)
Bloed is altijd helderrood dat hier doorheen stroomt.
d)
Je hebt er maar 4 van in je lichaam.
53.
Bij welk type bloedvaten kunnen witte bloedcellen door de wand heen?
a)
Slagaders
b)
Aders
c)
Haarvaten
d)
Poortader
54.

Welke bloedgroepen zijn er?

a)

A

b)

O

c)

AB

d)

C

e)

B

55.

Wat gebeurt er als je de verkeerde bloedgroep krijgt bij een transfusie?

a)

Niks

b)

Rode bloedcellen klonteren

c)

Rode bloedcellen barsten

d)

Witte bloedcellen klonteren

56.

Wat vindt je niet in het lymfesysteem?

a)

Lymfe

b)

Rode bloedccellen

c)

Witte bloecellen

d)

Voedingsstoffen

57.

Wat is/zijn de functie(s) van het lymfesysteem?

a)

Ziekteverwekkers bestrijden

b)

Rode bloedcellen maken

c)

Vocht afvoeren

d)

Witte bloedcellen maken

58.

Welke onderdelen van het lymfestelsel worden aangegeven bij 1 en 2 in de abeelding?

a)

1=Lymfevat

b)

2=Lymfevat

c)

1=lymfeknoop

d)

2=lymfeknoop

59.
Waar heeft iemand met een lymfe oedeem last van?
a)
Bloed ophoping 
b)
Vocht ophoping 
c)
Urine ophoping
d)
Slijm ophoping
60.
Wat is GEEN functie van een lymfeknoop?
a)
Het maken van witte bloedcellen.
b)
Het maken van rode bloedcellen.
c)
Zorgen voor de afvoer van lymfe.
d)
Geen idee..
61.
In welk bloedvat is de stroomsnelheid het hoogst?
a)
Slagaders
b)
Haarvaten
c)
Aders
d)
Kransslagaders
62.
Een gevolg van een lage bloeddruk kan zijn dat een patiënt eventjes duizelig is als hij uit bed stapt.
a)
Juist
b)
Onjuist
63.
Een haarvat is dikker dan een slagader. Is dit waar of niet waar?
a)
Waar
b)
Niet waar
c)
Soms wel
d)
Een haarvat is altijd dikker
64.
Wat is juist?
a)
Bloed gaat van de aorta naar de linkerkamer
b)
Bloed gaat van de holle ader naar de linkerboezem
c)
Bloed gaat van de aorta naar de rechterkamer
d)
Bloed gaat van de holle ader naar de rechterboezem
65.
Welke bloeddeeltjes functioneren niet goed meer als iemand snel moe is en kortademig? 
a)
Witte bloedcellen.
b)
Rode bloedcellen.
c)
Bloedplaatjes.
d)
Het bloedplasma.