wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammatica herhaling B1-5

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Welke vraag stel je om een onderwerp te vinden?

a)

Wie/wat + persoonsvorm

b)

Wie/wat + lijdend voorwerp

c)

Wie/wat + gezegde

d)

Wie/wat + bijwoordelijke bepaling

2.

Welke vraag stel je om het lijdend voorwerp te vinden?

a)

Wie/wat + onderwerp + pv

b)

Waarom

c)

Wie/wat + onderwerp + meewerkend voorwerp

d)

Wie/wat + onderwerp + gezegde

3.

Hoe vind je een bijwoordelijke bepaling?

a)

Wanneer?

b)

Wie/wat + gezegde?

c)

Staat achteraan in de zin

d)

Geeft antwoord op alle vraagwoorden

4.

Welke bewering is onjuist?

a)

In een zin met een meewerkend voorwerp zit altijd een onderwerp.

b)

In een zin kunnen meerdere bijwoordelijke bepalingen zitten.

c)

Een gezegde kan uit meerdere woorden bestaan.

d)

In een zin met een meewerkend voorwerp zit nooit een lijdend voorwerp.

5.

Een meewerkend voorwerp begint altijd met voor?

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

Welk werkwoord kan geen meewerkend voorwerp bij zich hebben?

a)

Fietsen

b)

Koken

c)

Vertellen

d)

Geven

7.

De boer ging met de kippen op stal. Hoeveel zinsdelen bevat deze zin?

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

8.

Volgende week vrijdag hebben jullie weer een vrije dag. Hoeveel zinsdelen heeft deze zin?

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

9.

De nieuwe brandweerwagen is rood-wit-blauw gestreept. Hoeveel zinsdelen heeft deze zin?

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

10.

Achterin het lokaal hangt een poster aan de muur. Hoeveel zinsdelen heeft deze zin?

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

11.

Achterin het lokaal heeft de docent een poster aan de muur gehangen. Wat is de naam van het onderstreepte zinsdeel?

a)

Meewerkend voorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

12.

In welke zin is het weer lijdend voorwerp?

a)

Vandaag is het weer lekker warm.

b)

Het weer is zonnig vandaag.

c)

Piet Paulusma kondigt het weer aan.

13.

De skiër ging in volle vaart naar beneden. Hoeveel zinsdelen heeft het onderstreepte stuk?

a)

1

b)

2

c)

3

14.

Waarom krijgen wij zoveel huiswerk? Welk zinsdeel is waarom?

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Gezegde

d)

Bijwoordelijke bepaling

15.

Over twee weken gaan jullie met elkaar naar Engeland. Hoeveel bijwoordelijke bepalingen heeft deze zin?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

16.

Ik heb jou de helft van mijn koek gegeven. Wat is de helft van mijn koek?

a)

Lijdend voorwerp

b)

Meewerkend voorwerp

c)

Onderwerp

d)

Bijwoordelijke bepaling

17.

Ik heb jou de helft van mijn koek gegeven. Welk zinsdeel zit niet in deze zin?

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Bijwoordelijke bepaling

d)

Meewerkend voorwerp

18.

Het Dr. Mollercollege is al jaren een begrip in Waalwijk. Welk zinsdeel is al jaren?

a)

Meewerkend voorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

c)

Lijdend voorwerp

d)

Onderwerp

19.

Jullie gaan allemaal een voldoende halen voor deze toets. Welk zinsdeel zit niet in deze zin?

a)

Meewerkend voorwerp

b)

Lijdend voorwerp

c)

Bijwoordelijke bepaling

d)

Gezegde

20.

Volgende week hebben we het antwoord. Welk zinsdeel is het antwoord?

a)

Onderwerp

b)

Meewerkend voorwerp

c)

Bijwoordelijke bepaling

d)

Lijdend voorwerp