wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Waarneming en Regeling

Total questions: 58

Worksheet time: 45mins

Name
Class
Date
1.
Hoeveel verschillende soorten zintuigen kennen we?
a)
3 namelijk in je oog, oor en neus
b)
4 namelijk in je oog, oor, neus en huid
c)
5 namelijk in je oog, neus, oor, huid en mond
d)
6 namelijk in je oor, huid, oog, neus, mond en tong
2.
Het drukzintuig is een onderdeel van de huid.
a)
Juist
b)
Onjuist
3.
Iets waar je zintuigen op reageren heet een ...
a)
Impuls
b)
Seintje
c)
Prikkel
d)
Zenuw
4.
Het centrale zenuw-stelsel bestaat uit:
a)
Zenuwen
b)
Zenuwen en de hersenen
c)
Zenuwen en het ruggenmerg
d)
De hersenen en het ruggenmerg
5.
Bewust worden gebeurt in de spieren.
a)
Juist
b)
Onjuist
6.
De weg die een geurstof tot aan de hersenen moet maken is:
1: Langs het neus-slijmvlies
2: Langs het reuk-zenuw
3: Langs de reuk-zintuigcellen
4: Hersenen
a)
Juist
b)
Onjuist
7.
Wat wordt bedoeld in het kader  bij het vraagteken?
a)
Neusholte
b)
Neus-slijmvlies
c)
Reukharen
d)
Zintuigcellen
8.
De verschillende smaken die de smaak zintuigcellen kunnen onderscheiden zijn:
a)
Zuur, Zout, Zoet
b)
Zuur, Zout, Zoet, Pittig
c)
Pittig, Bitter, Zoet, Zout
d)
Zoet, Zout, Zuur, Bitter
9.
Bij welk zintuig hoort deze afbeelding?
a)
Gehoor-zintuig
b)
Gezichts-zintuig
c)
Reuk-zintuig
d)
Smaak-zintuig
10.
Met een droge tong proef je even goed als met een vochtige tong.
a)
Juist
b)
Onjuist
11.
Vanaf hoeveel decibel kan er gehoorschade optreden?
a)
60
b)
70
c)
80
d)
90
12.
Wat is de functie van oorsmeer?
a)
Vochtig houden van het trommelvlies
b)
Soepel houden van het trommelvlies
c)
Zorgt ervoor dat het trommelvlies niet kan bewegen
d)
Geeft het trommelvlies een gele kleur
13.
Hier bevindt zich het gehoorzintuig.
a)
Trommelvlies
b)
Gehoorbeentjes
c)
Slakkenhuis
d)
Buis van Eustachius
14.
Wimpers zorgen ervoor dat het zweet niet in je ogen loopt.
a)
Juist
b)
Onjuist
15.
Met dit deel van het oog kan je scherp zien.
a)
Iris
b)
Pupil
c)
Harde oogvlies
d)
Lens
16.
In deze laag van het oog liggen de meeste bloedvaten.
a)
Harde oogvlies
b)
Vaatvlies
c)
Netvlies
17.
Langs welke weg gaat het licht van het oog-zintuig?
a)
Hoornvlies-pupil-lens-glasachtige lichaam-netvlies
b)
Glasachtige lichaam-netvlies-pupil-lens-hoornvlies
c)
Hoornvlies-lens-netvlies
d)
Lens-pupil-hoornvlies-netvlies-glasachtige lichaam
18.
Met deze vlek kan je niets zien.
a)
Gele vlek
b)
Blinde vlek
c)
Lege vlek
d)
Zenuw vlek
19.
De pupil is eigenlijk een opening in plaats van een zwart gedeelte.
a)
Juist
b)
Onjuist
20.
Een ander woord voor impuls is ...
a)
Zenuw
b)
Prikkel
c)
Seintje
d)
Reactie
21.
Het zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en zenuwen
b)
hersenen en ruggenmerg
c)
hersenen en perifere zenuwen
d)
hersenen, ruggenmerg en zenuwen
22.
Waaruit bestaat het centrale zenuwstelsel?
a)

hersenzenuwen
b)

hersenen en ruggenmerg
c)

wervels en ruggenmerg
d)

grote en kleine hersenen
23.
Wat zijn zintuigen?
a)
ogen, oren, mond, neus, huid, handen
b)
ogen, mond, oren, huid, neus
c)
ogen, oren, mond, huid, neus, voeten
d)
ogen, oren, mond, huid, neus, gevoel
24.
Je zintuigen nemen
a)
taken waar
b)
mensen waar
c)
prikkels waar
d)
iets op
25.
In de zintuigen wordt van een prikkel een
a)
taak gemaakt
b)
afdruk gemaakt
c)
impuls gemaakt
d)
inpuls
26.

Wat is een zintuig?

a)

Een orgaan waarmee je prikkels opvangt

b)

Een orgaan waarmee je impulsen opvangt

c)

Een onderdeel van de hersenen

d)

Een cel die impulsen vervoert door het lichaam

27.

Welke zintuigen zitten in de huid?

a)

Tast, druk, warmte, koude en pijn

b)

Tast, druk, warmte, koude en gehoor

c)

Warmte, koude, zicht en pijn

d)

Smaak en reuk

28.

Welk deel van een zintuig maakt impulsen wanneer het prikkels opvangt?

a)

De tastknopjes

b)

De zintuigcellen

c)

De zenuwcellen

d)

De impulscellen

29.

Wat is de functie van talgklieren?

a)

Zweet produceren om het lichaam af te koelen

b)

Talg produceren om haren en hoornlaag soepel te houden

c)

Talg produceren om bacteriën op de huid te doden

d)

Prikkels opvangen

30.

Welke lagen heeft de huid, van buiten naar binnen

a)

Opperhuid - lederhuid - onderhuids bindweefsel

b)

Opperhuid - onderhuids bindweefsel - lederhuid

c)

Lederhuid - onderhuids bindweefsel - opperhuid

d)

Onderhuids bindweefsel - lederhuid - opperhuid

31.

Op welke prikkel reageren tastknopjes in de huid?

a)

Zachte aanraking

b)

Harde aanraking

c)

Warmte en koude

d)

Pijn

32.

Waar liggen de zintuigcellen van het reukzintuig?

a)

Voor in de neus, bij de neusvleugels

b)

Bovenin de neusholte

c)

Tegen het gehemelte in je mond

d)

Achterin de keelholte

33.

Wat is de functie van het neusslijmvlies?

a)

Stof en ziekteverwekkers tegenhouden

b)

Geurstoffen opvangen

c)

Neusharen soepel maken

d)

Impulsen maken

34.

Waarom proef je je eten minder goed als je verkouden bent?

a)

Het reukzintuig wordt geblokkeerd door snot

b)

Er liggen te veel bacteriën op je tong

c)

Je krijgt traanogen

d)

Je tong maakt minder impulsen

35.

Wat is de functie van de Buis van Eustachius?

a)

Zorgen dat de druk rondom het trommelvlies gelijk blijft zodat het goed kan trillen

b)

Zorgen dat er geen bacteriën vanuit de keelholte naar de trommelholte kunnen

c)

Trillingen doorgeven van de oorschelp naar het trommelvlies

d)

Impulsen vanuit het oor doorgeven aan de hersenen

36.

Welk zintuig hoort bij het werkwoord "zien"?

a)

Het gezichtszintuig

b)

Het zienzintuig

c)

Het kijkzintuig

d)

Het oogzintuig

37.

Als je vanuit een donkere ruimte naar een lichte ruimte loopt, welke spiertjes in de iris spannen zich dan aan?

a)

De kringspieren

b)

De lengtespieren

c)

Er zitten geen spieren in de iris

d)

Zowel de kringspieren als de lengtespieren

38.
Wat wordt er bedoeld met impuls?
a)
een prikkel
b)
een seintje naar de hersenen
c)
een reflex
d)
een handeling
39.
Waar staat de juiste volgorde van gebeurtenis?
a)
impuls-prikkel-hersenen
b)
hersenen-prikkel-impuls
c)
impuls-hersenen-prikkel
d)
prikkel-impuls-hersenen
40.
Dankzij zweetklieren kan je lichaam afkoelen.
a)
Juist
b)
Onjuist
41.

Welk nummer is de zweetklier

a)

6

b)

3

c)

8

d)

5

42.
Een haartje groeit van onderaf, niet vanuit de bovenkant.
a)
Juist
b)
Onjuist
43.
In welke laag van de huid vind je de zintuigen?
a)
Opperhuid
b)
Lederhuid
c)
Onderhuidsbindweefsel
44.
Bij welke decibel kun je gehoorschade oplopen?
a)
80 dB
b)
60 dB
c)
70 dB
d)
90 dB
45.
Wat is nummer 10
a)
oorgang
b)
trommelvlies
c)
buis van eustachius
d)
oorzenuw
46.

Welke nummer is de gehoorgang

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

47.
welk nummer is het slakkenhuis?
a)
6
b)
7
c)
8
d)
9
48.
Wat is geen hormoonklier?
a)
Schildklier
b)
Bijnieren
c)
Hypofyse
d)
Borstklier
49.
Waar hebben de hormonen geen invloed op?
a)
Groei en ontwikkeling van het lichaam
b)
Op de stofwisseling
c)
Huidskleur
d)
Op de voortplanting
50.
Waar ligt de hypofyse?
a)
Tussen beide hersenhelften
b)
Bij de nieren
c)
In het geslachtsorgaan
d)
Bij de schildklier
51.
Waarvoor zorgt hypofyse? 
a)
Speeksel aanmaak
b)
Haargroei
c)
Botgroei
d)
Hersengroei
52.
Waar ligt de alvleesklier?
a)
Achter de nieren
b)
Achter de darmen
c)
Bij het hart
d)
Bij de maag
53.
Wat betekend het begrip: bloedsuikerspiegel?
a)
Dat is de hoeveelheid suiker dat zich in het bloed bevind
b)
Dat is bloed met suiker gemengd 
c)
Dat is het glucosegehalte van het bloed
d)
Dat betekenend helemaal niks
54.
Waar hebben mensen met diabetes last van?
a)
De eilandjes van Langerhals produceren te weinig  insuline 
b)
Deze mensen hebben last van dwerggroei
c)
Deze mensen hebben een struma
d)
Het bloed is bij deze mensen te dik, waardoor het niet goed kan stromen
55.
Welk hormoon produceren die bijnieren?
a)
Adrenaline
b)
Groeihormoon
c)
Insuline 
d)
Geslachshormonen
56.

De tekening geeft schematisch de bouw weer van een bepaalde klier met aan- en afvoerwegen in het lichaam van de mens.

Voor welke van de volgende klieren kan dit schema gelden?

a)

voor een bijnier

b)

voor een eilandje van Langerhans

c)

voor de schildklier

d)

voor een talgklier

57.
Wat is een reflex?
a)
Vaste, snelle, onbewuste reactie
b)
Trage reactie
c)
Bewuste reactie
58.
Welke groep mensen loopt het meeste kans op diabetes? 
a)
Ouderen 
b)
Jongeren
c)
Mensen met overgewicht
d)
Baby's