wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling leerstof 3e trimester 2e jaar

Total questions: 129

Worksheet time: 2hrs 46mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het kenmerk van een enkelvoudige zin?

a)

De zin bevat een persoonsvorm

b)

De zin bevat twee persoonsvormen

c)

De zin bevat drie persoonsvormen

d)

De zin bevat meer dan drie persoonsvormen

2.

Wat is een kenmerk van een hoofdzin?

a)

In een hoofdzin staan de persoonsvorm en het onderwerp naast elkaar

b)

In een hoofdzin staan de persoonsvorm en onderwerp niet dicht bij elkaar

c)

in een hoofdzin staat de persoonsvorm helemaal achteraan in de zin

d)

In een hoofdzin staat helemaal geen persoonsvorm

3.

Wat zijn voegwoorden?

a)

Voegwoorden zijn woorden die zinnen aan elkaar voegen

b)

Voegwoorden zijn woorden die een zin vragend maken

c)

Voegwoorden zijn woorden die zinnen of woorden aan elkaar voegen

4.

Welke soorten voegwoorden ken je?

a)

Naastschikkende en overschikkende voegwoorden

b)

Nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden

5.

Nevenschikkende voegwoorden zijn:

a)

want, maar, en, of, dus

b)

zodat, doordat, omdat, of, maar

c)

zodat, doordat, omdat, totdat, dat

6.
Als het oudejaarsavond is, steken wij vuurwerk af.
Enkelvoudige of samengestelde zin?
a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
7.
Mijn broertjes vinden die knallen fantastisch, maar mijn moeder heeft er een grote hekel aan.
Enkelvoudige of samengestelde zin?
a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
8.
Ook onze hond rent tijdens die geweldige feestnacht helemaal panisch rond door het oorverdovend lawaai, de lichtflitsen en de rook.
Enkelvoudige of samengestelde zin?
a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
9.
De parkietjes kijken echter met grote interesse naar buiten, want dan gebeurt er eindelijk eens wat.
Enkelvoudige of samengestelde zin?

a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
10.
Mijn superkeurige, brave buurman, die niet tegen rommel kan, gaat doorgaans op 1 januari al om 9 uur 's ochtends flink aan de slag met de bladblazer.
Enkelvoudige of samengestelde zin?

a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
11.

Mijn superkeurige, brave buurman, die niet tegen rommel kan, gaat doorgaans op 1 januari al om 9 uur 's ochtends flink aan de slag met de bladblazer.

a)

enkelvoudige

b)

samengestelde

12.
Na alle protesten tegen het vuurwerkverbod is een afschaffing van het vuurwerk op oudejaarsavond gelukkig nog niet helemaal zeker.
Enkelvoudige of samengestelde zin?

a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
13.

Een chronologisch verband beschrijft gebeurtenissen in de juiste tijdsvolgorde.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

14.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband opsomming?

a)

ook

b)

maar

c)

eerst

d)

doordat

15.
Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband oorzaak-gevolg?
a)
daarmee
b)
daardoor
c)
want
d)
daarom
16.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Slechte nachten zorgt voor chagrijnige mensen . Ook ongezonde voeding zorgt voor een slecht humeur.

a)

Chronologie

b)

Vergelijking

c)

Oorzaak-gevolg

d)

Opsomming

17.

Welk tekstverband hoort er bij onderstaande zin?


Je moet eerst de bloemen schuin afsnijden, daarna doe je water in een vaas en als laatste doe je de bloemen in de vaas.

a)

Chronologie

b)

Oorzaak-Gevolg

c)

Beschrijving

d)

Vergelijking

18.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Van te veel uv-straling kun je kanker krijgen. Daarom moet je je goed insmeren.

a)

Beschrijving

b)

Opsomming

c)

Chronologie

d)

Oorzaak-gevolg

19.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Vancouver Island heeft ontzettend veel mooie natuur te bieden. Ook kun je er met een boot op zoek gaan naar walvissen en beren en zwemmen tussen de zalmen.

a)

Vergelijking

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

d)

Chronologie

20.

Welk tekstverband zie je tussen de delen van deze zinnen?


Homer heeft een goed resultaat, omdat hij hard geleerd heeft.

a)

Opsomming

b)

Vergelijking

c)

Chronologisch

d)

Oorzaak-gevolg

21.

'Ten eerste', 'ten tweede' en 'daarna' geven een opsomming aan

a)

Juist

b)

Fout

22.

Welk van de volgende signaalwoorden hoort niet bij een opsommend verband?

a)

Bovendien

b)

Als laatste

c)

Echter

d)

Vervolgens

23.

'Voordat' is een signaalwoord dat hoort bij een...

a)

Vergelijkend verband

b)

Opsommend verband

c)

Chronologisch verband

d)

Beschrijvend verband

24.

Één moet de eerste zijn.

éen =

a)

een bepaald hoofdtelwoord

b)

een bepaald rangtelwoord

c)

een onbepaald hoofdtelwoord

d)

een onbepaald rangtelwoord

e)

geen telwoord

25.

Met z'n hoevelen zaten jullie in de klas?

hoevelen =

a)

een bepaald hoofdtelwoord

b)

een bepaald rangtelwoord

c)

een onbepaald hoofdtelwoord

d)

een onbepaald rangtelwoord

e)

geen telwoord

26.

Je komt voor de zoveelste keer te laat!

Zoveelste =

a)

een bepaald hoofdtelwoord

b)

een bepaald rangtelwoord

c)

een onbepaald hoofdtelwoord

d)

een onbepaald rangtelwoord

27.

Hij had op het vierde rapport heel wat onvoldoendes.

Vierde =

a)

een bepaald hoofdtelwoord

b)

een bepaald rangtelwoord

c)

een onbepaald hoofdtelwoord

d)

een onbepaald rangtelwoord

e)

geen telwoord

28.

Er waren elf leerlingen gaan betogen vorige week.

elf =

a)

een bepaald hoofdtelwoord

b)

een bepaald rangtelwoord

c)

een onbepaald hoofdtelwoord

d)

een onbepaald rangtelwoord

e)

geen telwoord

29.

Omdat het druk was, waren alle stoelen bezet

Alle =

a)

een bepaald hoofdtelwoord

b)

een bepaald rangtelwoord

c)

een onbepaald hoofdtelwoord

d)

een onbepaald rangtelwoord

e)

geen telwoord

30.

Sommige leerlingen kozen voor de optie sport.

sommige =

a)

een bepaald hoofdtelwoord

b)

een bepaald rangtelwoord

c)

een onbepaald hoofdtelwoord

d)

een onbepaald rangtelwoord

e)

geen telwoord

31.

De goochelaar toonde de harten zes.

zes =

a)

een bepaald hoofdtelwoord

b)

een bepaald rangtelwoord

c)

een onbepaald hoofdtelwoord

d)

een onbepaald rangtelwoord

e)

geen telwoord

32.

België eindigde op de derde plaats tijdens het wereldkampioenschap voetbal.

derde =

a)

een bepaald hoofdtelwoord

b)

een bepaald rangtelwoord

c)

een onbepaald hoofdtelwoord

d)

een onbepaald rangtelwoord

e)

geen telwoord

33.

1/2

a)

ander-half

b)

ander half

c)

anderhalf

34.

84

a)

vierentachtig

b)

vier en tachtig

c)

vieren tachtig

d)

vier-en-tachtig

35.

8034

a)

Achtduizendvierendertig

b)

Achtduizend vier en dertig

c)

Achtduizend vierendertig

d)

Achtduizend-vier-en-dertig

36.

141

a)

Honderd eenenveertig

b)

Honderd een en veertig

c)

Honderdeenenveertig

d)

Honderd-een-en-veertig

37.

33657

a)

drieëndertigduizend zeshonderdzevenenvijftig

b)

drieëndertigduizend zeshonderd zevenenvijftig

c)

drie en dertig duizend zeshonderd zevenenvijftig

d)

drieëndertig duizend zeshonderdzevenenvijftig

38.

381000

a)

driehonderd eenentachtig duizend

b)

driehonderd een en tachtig duizend

c)

driehonderd-eenentachtig-duizend

d)

driehonderdeenentachtigduizend

39.

105e

a)

Honderd en vijfde

b)

Honderdenvijfde

c)

Honderdenvijfste

d)

Honderd en vijfste

40.

6027

a)

Zesduizendzevenentwintig

b)

Zesduizend zevenentwintig

c)

Zes duizend zeven en twintig

d)

Zesduizend-zeven-en-twintig

41.

Geef aan wat de voorzetsels zijn. Verlangen jullie ook zo naar het weekend?

a)

ook

b)

zo

c)

naar

42.

Geef aan wat de voorzetsels zijn. Tijdens zijn eerste bezoek schaamde Johan zich voor zijn kleding.

a)

tijdens

b)

voor

c)

tijdens & voor

43.

Geef aan wat de voorzetsels zijn. Die man kijkt je tijdens het praten nooit aan.

a)

tijdens

b)

aan

c)

tijdens & aan

44.

Geef aan wat de voorzetsels zijn. Waarom knap jij dat klusje in het weekend niet op?

a)

in

b)

in & op

c)

op

45.
Hoe schrijf je de afkorting van...
enzovoort?
a)
enz.
b)
e.n.z.
c)
enzo.
d)
enzv.
46.
Hoe schrijf je de afkorting van...
alstublieft?
a)
aub.
b)
a.u.b.
c)
au.
d)
a.b.l.
47.
Hoe schrijf je de afkorting van...
zaterdag?
a)
zat.
b)
ztd.
c)
za
d)
z.a.t.
48.
Hoe schrijf je de afkorting van...
zo spoedig mogelijk?
a)
z.s.m.
b)
zsm.
c)
zsm
49.
Hoe schrijf je de afkorting van...
tegenover
a)
t,o,
b)
t.o.
c)
to
50.
Hoe schrijf je de afkorting van...
onder leiding van?
a)
o.l.v.
b)
olv
c)
olv.
51.
Hoe schrijf je de afkorting van...
centimeter?
a)
cm
b)
c.m.
c)
cm.
52.
Hoe schrijf je de afkorting van...
minuten?
a)
min.
b)
m.i.n.
c)
min
53.
Hoe schrijf je de afkorting van...
per persoon?
a)
p.p.
b)
pp
c)
pp.
54.
Hoe schrijf je de afkorting van...
zo spoedig mogelijk?
a)
z.s.m.
b)
zsm.
c)
z.s.m
d)
z s m
55.

Vul het goede voorzetsel in:

Bij gebrek ___________belangstelling werd de reis uitgesteld.

a)

voor

b)

bij

c)

naar

d)

aan

56.

Vul het goede voorzetsel in.

De schuldige werknemer werd ______ staande voet ontslagen.

a)

met

b)

op

c)

naast

d)

tussen

57.

Vul het goede voorzetsel in.

Tijdens de vakantie hadden we de keuze __________ een tent of een caravan.

a)

voor

b)

aan

c)

uit

d)

met

58.

Vul het goede voorzetsel in.

De klant liet zich ________ een kluitje in het riet wegsturen.

a)

bij

b)

aan

c)

met

d)

voor

59.

Vul het goede voorzetsel in.

Kinderen laten zich gemakkelijk ________ een aankoop verleiden.

a)

in

b)

tot

c)

voor

d)

met

60.

Vul het goede voorzetsel in.

We danken u _____ voorbaat voor uw belangstelling.

a)

bij

b)

tot

c)

met

d)

voor

61.

Vul het goede voorzetsel in.

Vader stond er ______ dat we ons zouden verontschuldigen.

a)

in

b)

voor

c)

naast

d)

op

62.

Vul het goede voorzetsel in.

De leerlingen keken verlangend uit ________ de vakantie.

a)

in

b)

met

c)

naar

d)

voor

63.

Vul het goede voorzetsel in.

We zouden meer rekening moeten houden _______ elkaar.

a)

voor

b)

aan

c)

achter

d)

met

64.

Vul het goede voorzetsel in.

De docent twijfelt er niet ______ dat de leerling iets in zijn schild voert.

a)

voor

b)

aan

c)

voor

d)

tussen

65.

Vul het goede voorzetsel in.

Oma rekent _________ onze aanwezigheid tijdens het feest.

a)

met

b)

voor

c)

af

d)

op

66.

Vul het goede voorzetsel in.

Het bezoek had behoefte _______ een kop koffie.

a)

voor

b)

aan

c)

in

d)

af

67.

Vul het goede voorzetsel in.

Nu is ze opgezadeld _______ veel nakijkwerk.

a)

met

b)

voor

c)

na

d)

tussen

68.

Vul het goede voorzetsel in.

Klaas stoorde zich _______ de drukte in de klas.

a)

voor

b)

met

c)

in

d)

aan

69.
Ik ben voorzien .... genoeg oefenmateriaal.
a)
met
b)
van
c)
aan
d)
op
70.
Ik solliciteer .... de functie van docent.
a)
op
b)
aan
c)
naar
d)
in
71.
Wij willen bijdragen .... een goede sfeer in de klas.
a)
aan
b)
bij
c)
in
d)
op
72.
Dit werkt .... mijn lachspieren.
a)
aan
b)
over
c)
bij
d)
op
73.
Alle kinderen genieten .... een ijsje.
a)
van
b)
met
c)
bij
d)
over
74.
Een onvoldoende kan leiden ... extra taken.
a)
naar
b)
in
c)
tot
d)
voor
75.
De mentor ontfermde zich ... de gepeste leerling.
a)
om
b)
tot
c)
over
d)
met
76.
De jongen blonk uit ... wiskunde.
a)
in
b)
op
c)
met
d)
door
77.
De limonade werd alleen verstrekt .... leerlingen die hadden hardgelopen.
a)
voor
b)
met
c)
tegen
d)
aan
78.
De leerlingen hebben zin .... een spelletje.
a)
aan
b)
om
c)
in
d)
voor
79.
De juf is zich bewust .... de moeilijke vragen.
a)
van
b)
met
c)
door
d)
over
80.

Het meervoud van logo is...

a)

logos

b)

logoo's

c)

logo's

d)

l'ogos

81.

In de winter____________ gaan wij vaak skiën

a)

'S Winters

b)

's Winters

c)

's winters

d)

s' Winters

82.

Ik ga wel eens in de zomer_________ naar het zwembad

a)

szomers

b)

's zomers

c)

s' somers

d)

's Zomers

83.

Opa zijn________ auto is gisteren gestolen

a)

Opaas

b)

Opa's

c)

opa's

d)

opas'

84.

Het meervoud van appel is...

a)

appels

b)

appel's

c)

appels'

d)

app'els

85.

Het meervoud van papa is...

a)

papass

b)

papa's

c)

papas

d)

papas'

86.

In de avond_________ hoorde ik allerlei geluiden

a)

'S avbnds

b)

's aavonds

c)

S' avonds

d)

's Avonds

87.

Er is in de nacht___________ veel regen voorspeld.

a)

's Nachts

b)

's nachts

c)

snacht's

d)

s' Nachts

88.
Duid de zin aan die correct is gespeld.
a)
Peters beide opa's zijn op dezelfde dag jarig.
b)
Peters's beide opa's zijn op dezelfde dag jarig.
c)
Peters' beide opas zijn op dezelfde dag jarig.
d)
Peter's beide opa's zijn op dezelfde dag jarig.
89.
Duid de zin aan die correct is gespeld.
a)
Zebras, okapis en chimpansees zijn Afrikaanse diersoorten.
b)
Zebra's, okapi's en chimpansee's zijn Afrikaanse diersoorten.
c)
Zebra's, okapis en chimpansees zijn Afrikaanse diersoorten.
d)
Zebra's, okapi's en chimpansees zijn Afrikaanse diersoorten.
90.
Duid de zin aan die correct is gespeld.
a)
s' Morgens heeft Lucas' vader vaak last van een ochtendhumeur.
b)
's Morgens heeft Lucas' vader vaak last van een ochtendhumeur.
c)
'S morgens heeft Lucas' vader vaak last van een ochtendhumeur.
d)
's Morgens heeft Lucas vader vaak last van een ochtendhumeur.
91.
Duid de zin aan die correct is gespeld.
a)
De politie heeft tien gestolen Porsche's en Ferrari's teruggevonden.
b)
De politie heeft tien gestolen Porsches en Ferraris teruggevonden.
c)
De politie heeft tien gestolen Porsches en Ferrari's teruggevonden.
d)
De politie heeft tien gestolen Porsche's en Ferraris teruggevonden.
92.
Duid de zin aan die correct is gespeld.
a)
Die muziekliefhebber kent alle liedjes van Adele's cd's.
b)
Die muziekliefhebber kent alle liedjes van Adeles cds.
c)
Die muziekliefhebber kent alle liedjes van Adeles cd's.
d)
Die muziekliefhebber kent alle liedjes van Adele's cds.
93.

Duid de zin aan die correct is gespeld.

a)

'K maak nog te veel fouten in mijn dictee's.

b)

'k Maak nog te veel fouten in mijn dictees.

c)

'k Maak nog te veel fouten in mijn dictee's.

d)

ik maak nog te veel fouten in mijn dictees.

94.
Duid de zin aan die correct is gespeld.
a)
In Kaatjes kleerkast liggen tientallen oude T-shirts.
b)
In Kaat's kleerkast liggen tientallen oude T-shirts.
c)
In Kaatje's kleerkast liggen tientallen oude T-shirts.
d)
In Kaatjes' kleerkast liggen tientallen oude T-shirts.
95.
Duid de zin aan die correct is gespeld.
a)
Op kleine babytjes passen is één van mijn hobbys.
b)
Op kleine baby'tjes passen is één van mijn hobby's.
c)
Op kleine babytjes passen is één van mijn hobby's.
d)
Op kleine babytje's passen is één van mijn hobby's.
96.
Duid de zin aan die correct is gespeld.
a)
Charlottes collegas zijn heel sympathiek.
b)
Charlotte's collega's zijn heel sympathiek.
c)
Charlottes collega's zijn heel sympathiek.
d)
Charlotte's collegas zijn heel sympathiek.
97.
Duid de zin aan die correct is gespeld.
a)
Ken jij cafés die 's maandags open zijn?
b)
Ken jij café's die s' maandags open zijn?
c)
Ken jij café's die 's maandags open zijn?
d)
Ken jij cafés die 's maandag's open zijn?
98.
Duid de zin aan die correct is gespeld.
a)
T' is fijn wanneer het s' winters sneeuwt.
b)
'T is fijn wanneer het 's winters sneeuwt.
c)
't Is fijn wanneer het 's winters sneeuwt.
d)
't Is fijn wanneer het s winters sneeuwt.
99.
Duid de zin aan die correct is gespeld.
a)
Voor hun prestaties werden de jockeys beloond met enkele mooie cadeaus.
b)
Voor hun prestatie's werden de jockey's beloond met enkele mooie cadeau's.
c)
Voor hun prestaties werden de jockey's beloond met enkele mooie cadeaus.
d)
Voor hun prestaties werden de jockeys beloond met enkele mooie cadeau's.
100.

Koppelteken

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

zeeeend

b)

zee-eend

101.

Koppelteken

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

btwtarief

b)

btw-tarief

102.

Koppelteken

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

yas

b)

y-as

103.

Trema

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

geinstalleerd

b)

geïnstalleerd

104.

Trema

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

reele

b)

reële

105.

Koppelteken

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

zijdeachtig

b)

zijde-achtig

106.

Koppelteken

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

autoonderdeel

b)

auto-onderdeel

107.

Trema

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

smeuig

b)

smeuïg

108.

Koppelteken

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

Westvlaams

b)

West-Vlaams

109.

Koppelteken

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

cafëeigenaar

b)

café-eigenaar

110.

Trema

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

postuum

b)

postuüm

111.

Trema

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

naief

b)

naïef

112.

Koppelteken

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

na-aperij

b)

naaperij

113.

Trema

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

taoeeren

b)

tatoeëren

114.

Koppelteken

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

100 jarige

b)

100-jarige

115.

Koppelteken

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

expiloot

b)

ex-piloot

116.

Koppelteken

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

tweeeiig

b)

twee-eiig

117.

Trema

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

tweeerlei

b)

tweeërlei

118.

Trema

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

tweeennegentig

b)

tweeënnegentig

119.

Koppelteken

Kies het woord dat goed gespeld is.

a)

kabinet Rutte

b)

kabinet-Rutte

120.

Koppelteken of niet?

a)

café-restaurant

b)

café restaurant

c)

caférestaurant

121.

Trema of niet?

a)

Officiele

b)

Officiële

122.

Wat is correct?

a)

Elias pennenzak

b)

Elias's pennenzak

c)

Elias' pennenzak

123.

Koppelteken


Met of zonder koppelteken ?


tv en uitzending

a)

met: tv-uitzending

b)

zonder: tvuitzending

124.

Koppelteken


Met of zonder koppelteken ?


stage en adres

a)

met: stage-adres

b)

zonder: stageadres

125.

Koppelteken


Met of zonder koppelteken ?


40+ en kaas

a)

met: 40+-kaas

b)

zonder: 40+kaas

126.

Trema


Met of zonder trema ?

a)

zonder: kopieer

b)

met: kopiëer

127.

Trema


Met of zonder trema ?

a)

zonder: naief

b)

met: naïef

128.

Wat is het meervoud van Olie?

a)

Oliën

b)

Olieën

c)

Olie's

129.

Wat is het meervoud van Epidemie?

a)

Epediemie's

b)

Epidemiën

c)

Emipediën

d)

Epidemieën

e)

Epide