wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1TH H1 Water

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Wat is oppervlaktewater? (kies er 2!)

a)

Gletsjers

b)

Meren

c)

Sloten

d)

Kraanwater

e)

Grondwater

2.

Wat is de verhouding tussen zoet en zout water op aarde?

a)

De helft is zoet water, de helft is zout water.

b)

Er is veel meer zoet water dan zout water.

c)

Er is veel meer zout water dan zoet water.

3.

Kies in rijtje het woord dat er niet in hoort.


grondwater - oceaan - ijskap - gletsjer

a)

Grondwater

b)

Oceaan

c)

IJskap

d)

Gletsjer

4.

Kies in rijtje het woord dat er niet in hoort.


regenwater - sneeuw - drinkwater - hagel

a)

regenwater

b)

sneeuw

c)

drinkwater

d)

hagel

5.

Kies in rijtje het woord dat er niet in hoort.


Korte waterkringloop - rivier - grondwater - gletsjer

a)

Korte waterkringloop

b)

rivier

c)

grondwater

d)

gletsjer

6.

In welk land bestaat de Rijn bijna alleen maar uit smeltwater?

a)

Duitsland

b)

Frankrijk

c)

Nederland

d)

Zwitserland

7.

Het is een warme dag en je wilt in de rivier gaan zwemmen. In welk deel van een meander kun je dat het veiligst doen?

a)

In de binnenbocht

b)

In de buitenbocht

c)

In het midden van de rivier

8.

Hoe noem je het totale gebied waar het water van een rivier vandaan komt?

a)

afwatergebied

b)

bron

c)

stroomgebied

d)

waterscheiding

9.

Welke bewering is waar over een waterscheiding?

a)

De neerslag die aan verschillende kanten van de waterscheiding valt, stroomt uiteindelijk naar dezelfde rivier.

b)

Het is de grens tussen twee stroomgebieden.

c)

Het is een laaggelegen gebied.

d)

Het is het totale gebied waar het water van een rivier vandaan komt.

10.

In wat voor omgeving zal het waterpeil van een rivier het snelste stijgen bij hevige regenval?

a)

in een bebouwde omgeving, met rivierdijken

b)

in een bebouwde omgeving, zonder rivierdijken

c)

in een onbebouwde omgeving, met rivierdijken

d)

in een onbebouwde omgeving, zonder rivierdijken

11.

Wat zijn voorbeelden van Nederlandse zeeweringen? Twee antwoorden zijn goed.

a)

Bruggen

b)

Dammen

c)

Duinen

d)

Kribben

e)

Rivierdijken

12.

Wat geldt voor alle landen met waterschaarste?

a)

De vraag naar water is groter dan de aanvoer.

b)

Er is veel vraag naar water.

c)

Er valt weinig neerslag.

d)

Het zijn arme landen.

e)

Het zijn landen met veel inwoners.

13.

Hoe kan klimaatverandering voor waterschaarste zorgen?

a)

Door klimaatverandering gaat het vaker stormen.

b)

Door klimaatverandering stijgt de zeespiegel.

c)

Door klimaatverandering verdampt er meer water.

d)

Door klimaatverandering zijn er meer wolken.

14.

Kies het juiste begrip bij de zin: is in rijke landen groter dan in arme landen.

a)

Bevolkingsgroei

b)

Watervoetafdruk

c)

Landbouw

15.

Welke oplossing voor waterschaarste kom je alleen in rijke landen tegen?

a)

mistvangers

b)

ontziltingsinstallaties

c)

stuwdammen

d)

waterputten