wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 2 'ordening'

Total questions: 29

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Bacteriën, schimmels, planten en dieren zijn de vier ....

a)

Afdelingen

b)

Rijken

c)

Klassen

2.

Wat is de functie van een celkern?

a)

In de celkern liggen chromosomen

b)

De celkern houd de cel stevig

c)

De celkern geeft de plant een groene kleur

d)

In de celkern vind fotosynthese plaats

3.

Wat is de functie van een celwand?

a)

In de celwand liggen chromosomen

b)

De celwand houd de cel stevig

c)

De celwand geeft de plant een groene kleur

d)

In de celwand vind fotosynthese plaats

4.

Wat is de functie van bladgroenkorrels?

a)

In de bladgroenkorrels liggen chromosomen

b)

De bladgroenkorrels houden de cel stevig

c)

In de bladgroenkorrels drijven alle cel onderdelen

d)

In de bladgroenkorrels vind fotosynthese plaats

5.

Een bacterie cel heeft geen:

a)

Celwand

b)

Celkern

c)

Cytoplasma

6.

Wat heeft een plantencel dat andere cellen niet hebben?

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Cytoplasma

d)

Bladgroenkorrels

7.

Wieren, sporenplanten en zaadplanten zijn ..... van het plantenrijk.

a)

Rijken

b)

Afdelingen

c)

Klassen

8.

Organismen horen bij dezelfde soort wanneer ...

a)

Ze samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen

b)

Ze samen nakomelingen kunnen krijgen

c)

Ze allebei vruchtbaar zijn en nakomelingen kunnen krijgen

d)

Ze samen nakomelingen krijgen die op hun lijken

9.

Een bacterie is een organisme dat veelcellig is.

a)

Waar

b)

Niet waar

10.

Om een bacterie te kunnen zien heb je een microscoop nodig.

a)

Waar

b)

Niet waar

11.

Wat doen reducenten?

a)

Ze eten vooral yoghurt en zuurkool

b)

Ze ruimen dode resten van organismen op

c)

Ze proberen levende organisme te verteren

d)

Ze zorgen er voor dat planten groeien

12.

Voedselbederf kan worden tegengegaan door voedsel te

a)

Conserveren

b)

Reduceren

c)

Infecteren

d)

Produceren

13.

Schimmels zijn altijd meercellig

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

Gist is een meercellige schimmel

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

Veelcellige schimmels planten zich voort door middel van

a)

Deling

b)

Sporen

c)

Seks

16.

Waar wordt penicilline voor gebruikt?

a)

Voor voedsel

b)

Voor voortplanting

c)

Voor antibioticum

d)

Voor uitscheiding

17.

Een voorbeeld van een schadelijke schimmels is

a)

Gist

b)

Paddestoelen

c)

Antibioticum

d)

Zwemmerseczeem

18.

Wat voor soort skelet heeft een mossel?

a)

Inwendig skelet

b)

Uitwendig skelet

c)

geen skelet

19.

Wat voor soort skelet heeft een kever?

a)

Inwendig skelet

b)

Uitwendig skelet

c)

Geen skelet

20.

Bij welke afdeling hoort dit dier?

a)

Geleedpotigen

b)

Stekelhuidigen

c)

Gewervelden

d)

Sponzen

21.

Bij welke afdeling hoort dit dier?

a)

Gewervelden

b)

Weekdieren

c)

Eencelligen

d)

Stekelhuidigen

22.

Bij welke afdeling hoort dit dier?

a)

geleedpotigen

b)

gewervelden

c)

weekdieren

d)

holtedieren

23.

bij welke afdeling hoort dit dier?

a)

Stekelhuidigen

b)

Weekdieren

c)

Holtedieren

d)

Wormen

24.

Hoeveel poten hebben kreeftachtige dieren?

a)

1000

b)

10

c)

8

d)

6

25.

Welke onderde(e)l(en) zitten aan het achterlijf van insecten vast?

a)

Voelsprieten en ogen

b)

Poten en vleugels

c)

Angel

d)

Vleugels en ogen

26.

Wanneer zijn dieren gewervelde dieren?

a)

Als ze een ruggengraat hebben

b)

Als ze een staart hebben

c)

Als ze tanden en tenen hebben

d)

Als ze wervelwinden kunnen overleven

27.

Welke kenmerken horen bij zoogdieren?

a)

Warmbloedig, levendbarend, leven altijd in zee

b)

Levendbarend, leven altijd op land

c)

Warmbloedig, halen adem met de huid

d)

Levendbarend, halen adem met longen

28.

Welke kenmerken horen bij reptielen?

a)

Eieren met een kalkschaal, ademen met de longen

b)

Eieren zonder schaal, ademen met de longen

c)

Eieren met leerachtige schaal, ademen met longen én huid

d)

Huidbedekking zijn droge schubben, eieren met leerachtige schaal

29.

Aan de hand van welk schema kan je organismen het beste indelen?

a)
b)
c)
d)