wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Leerjaar 1 en 2 wiskunde TH door elkaar

Total questions: 100

Worksheet time: 3hrs 3mins

Name
Class
Date
1.
Hoeveel ribben heeft een balk?
a)
4
b)
8
c)
12
d)
16
2.
Welke ruimtefiguren hebben geen ribben?
a)
Piramide en Bol
b)
Bol, Kegel en Cilinder
c)
Kegel en Cilinder
d)
Prisma, Kegel en Bol
3.
Welke ruimtefiguur herken je in dit gebouw?
a)
cilinder
b)
kegel
c)
kubus
d)
bol
4.
Hoeveel hoekpunten heeft deze piramide?
a)
4 hoekpunten
b)
5 hoekpunten
c)
6 hoekpunten
d)
7 hoekpunten
5.
Peter en Linda kijken door hetzelfde raam naar buiten. Kunnen zij de boomhut allebei zien?
a)
ja
b)
nee
6.
3/4 is hetzelfde als
a)
6/8
b)

3/12

c)
1/3
d)
1/4
7.
2/5 + 1/5 =
a)
3/10
b)
3/5
c)
1/5
d)

2/10

8.
4/7 van 28 =
a)
11
b)
16
c)
4
d)
7
9.

1/4 van de plank is 30 cm. Hoeveel centimeter is de hele plank?

a)

100 cm

b)

60 cm

c)

80 cm

d)

120 cm

10.

Hoeveel procent is 1/5?

a)

15%

b)

30%

c)

25%

d)

20%

11.
Een auto rijdt 1 op 12.
Je rijdt 60 kilometer.
Hoeveel liter benzine verbruik je?
a)
3
b)
4
c)
5
d)
6
12.
Jan en Anne kopen samen een cadeautje voor hun moeder. Het cadeautje kost € 90,-
Jan betaalt twee keer zoveel als Anne.
Hoeveel euro betaalt Jan?
a)
€ 30,-
b)
€ 45,-
c)
€ 60,-
d)
€ 180,-
13.
Aan 50 studenten wordt gevraagd wat hun favoriete vakantiebestemming is.
De helft kiest voor Turkije. 1/5 deel kiest voor Griekenland en de rest kiest voor Spanje.
Hoeveel procent kiest voor Spanje?
a)
20%
b)
30%
c)
40%
d)
50%
14.
Een T-shirt van € 20,- is afgeprijsd naar € 12,-.
Hoeveel procent korting krijg je in totaal?
a)
20%
b)
40%
c)
60%
d)
80%
15.
0,0258 * 1000 =
a)
2,58
b)
258
c)
25,8
d)
2580
16.
3% van 9000 =
a)
360
b)
2700
c)
27
d)
270
17.

Zit er regelmaat in de grafiek?

a)

Ja

b)

Nee

18.

Wat moet er onder de 5 komen te staan?

a)

4

b)

40

c)

20

d)

80

19.

Welk punt zie ik bij A?

a)

(-2, 4)

b)

(4, -2)

c)

(2, 4)

d)

(4, 2)

20.

De O in het assenstelsel staat voor....

a)

Oorsprong

b)

Oosten

c)

Oostelijk

d)

Ofzo

21.
Er zijn op de hele wereld ongeveer een half miljard honden.
Hoeveel miljoen is een half miljard?
a)
5 miljoen
b)
500 miljoen
c)
50 miljoen
d)
5000 miljoen
22.
Wat is de juiste rekenvolgorde?
a)
1 machten en wortels
2 haakjes
3 x en :
4 + en -
b)
1 haakjes
2 machten en wortels
3 + en -
4 x en :
c)
1 haakjes
2 machten en wortels
3 x en :
4 + en -
23.
negatief : negatief
a)
negatief
b)
positief
24.
negatief × positief
a)
negatief
b)
positief
25.

Karin heeft een baantje. Hierbij hoort de formule:

inkomsten in € = 6 x tijd in uren + 3


Welke beweringen zijn waar?

a)

de eenheden zijn inkomsten en tijd.

b)

de variabelen zijn inkomsten en tijd

c)

Karin verdient 6 euro per uur

d)

Karin verdient 3 euro per uur.

e)

Karin krijgt een vast bedrag van 6 euro per uur.

26.

Welke formule hoort bij de tabel?

a)

l = 20 + 30 t

b)

t = 20 + 30 l

c)

t = 50 + 30 l

d)

l = 50 + 30 t

e)

l = 80 + 30 t

27.

Welke formule hoort bij de grafiek?

a)

inkomsten = 700 - 100 t

b)

inkomsten = 100 + 100 t

c)

inkomsten = 100 + 20 t

d)

inkomsten = 100 + 5 t

28.
-2 - -3 =
a)
-5
b)
-1
c)
1
d)
5
29.
600 : -10 =
a)
6000
b)
-60
c)
6
d)
-100
30.
10 x 6 : 2 =
a)
30
b)
180
c)
120
d)
40
31.
11 + -8 =
a)
-19
b)
-3
c)
3
d)
19
32.
-3 x (7 - 18) + 30 =
a)
-63
b)
63
c)
-3
d)
3
33.
-2,7 ... -2,3
a)
-2,7 > -2,3
b)
-2,7 < -2,3
34.
Welke soort hoek is
∠D2?
a)
scherpe hoek
b)
stompe hoek
c)
gestrekte hoek
d)
rechte hoek
35.
Hoe heet de hoek die wordt gevormd door
∠D1 en ∠D2 samen?
a)
rechte hoek
b)
gestrekte hoek
c)
overstaande hoek
d)
overstrekte hoek
36.
Als
∠D1 precies 29 graden is, hoe groot is  ∠D2 dan?
a)
129 graden
b)
151 graden
c)
331 graden
d)
360 graden
37.
Met een geodriehoek meet ik een lengte van 14 centimeter. In deze zin is de eenheid...
a)
geodriehoek
b)
14
c)
lengte
d)
centimeter
38.
Met een geodriehoek meet ik een lengte van 14 centimeter. In deze zin is de grootheid...
a)
geodriehoek
b)
14
c)
lengte
d)
centimeter
39.
Hoe heet een hoek van 90 graden?
a)
gestrekte hoek
b)
scherpe hoek
c)
rechte hoek
d)
stompe hoek
40.

Hoe noem je twee lijnen die dezelfde kant op gaan en elkaar nooit snijden?

a)

evenwijdig

b)

gelijklopig

c)

spoorlijn

d)

snijdende lijnen

41.
Bereken ∠C
a)
210o
b)
30o
c)
20o
d)
40o
42.
Wat is de naam van dit vlakke figuur?
a)
rechthoekige gelijkbenige driehoek
b)
rechthoekige driehoek
c)
gelijkzijdige driehoek
d)
gelijkbenige driehoek
43.
Wat is de naam van dit vlakke figuur?
a)
rechthoekige gelijkbenige driehoek
b)
rechthoekige driehoek
c)
gelijkzijdige driehoek
d)
gelijkbenige driehoek
44.
5 ⋅ (-4)2 =
a)
80
b)
-40
c)
40
d)
-80
45.
(√100)2 =
a)
10
b)
10000
c)
20
d)
100
46.
y = 5x2 − 7
Bereken y voor x = 3
a)
49
b)
23
c)
38
d)
52
47.

Werk de haakjes weg: x (2x - 5)=

a)

2x2 + 5x

b)

2x2 - 5

c)

2x2 - 5x

d)

-3x

48.

ontbind in factoren: x2 - 6x - 40

a)

(x - 5) (x + 8)

b)

(x -10) (x - 4)

c)

(x - 10) (x + 4)

d)

(x + 10) (x - 4)

49.

ontbind in factoren: x2 - x =

a)

x (x - 1)

b)

(x - 1) (x +1)

c)

1(x2 - 1)

d)

kan niet

50.

De snijpunten van de formules

y = x2 - 3x + 2 en y = 6x

kun je vinden door welke vergelijking op te stellen?

a)

x2 - 3x + 2 = 6x

b)

y = x2 + 6x

c)

y = (x - 2)(x - 1) - 6x

d)

x2 - 3x + 2 = 0

51.

7x8+3x10

a)

10x18

b)

kan niet korter

52.

3a12+5a12

a)

8a12

b)

8a24

c)

kan niet korter

53.

13a - 2b

a)

11a - b

b)

16ab

c)

11ab

d)

kan niet korter

54.

8ab2 = 4a * ...

a)

-2b

b)

2b2

c)

2b

d)

4b

55.
De tuin is 5 meter breed en 7 meter lang. Wat is de oppervlakte van de tuin?
a)
24 m
b)
35 m2
c)
24 m2
d)
35 m
56.

Van het hondenhok zijn drie aanzichten getekend.

Welk aanzicht zie je bij nummer 1?

a)

vooraanzicht

b)

achteraanzicht

c)

bovenaanzicht

d)

rechterzijaanzicht

57.

0,6 dm2 = ... cm2

a)

0,6

b)

6

c)

60

d)

600

58.

14.000 cm = ? m

a)

140

b)

1.400.000

c)

1.400

d)

14

59.
De oppervlakte van een cirkel bereken ik met :
a)
Pi x straal2
b)
Pi x diameter
c)
Lengte x breedte
d)
Er omheen lopen
60.

waar staat pi ongeveer gelijk aan?

a)

7,12

b)

5,16

c)

3,14

d)

1,18

61.

Deze cirkel heeft een diameter van 10 cm. Hoe reken je dan de omtrek van deze cirkel uit?

a)

5 x pi

b)

10 x pi

c)

5 x 5 x pi

d)

10 x 10 x pi

62.

Bij dit plaatje hoort een schaal van 1 : 50.

Hoe lang is deze Eland in werkelijkheid?

a)

50 cm

b)

250 cm

63.
256 g = ... kg
a)
0,256
b)
25,6
c)
2,56
d)
2560
64.
Bereken de inhoud van de balk.
a)
16 cm3
b)
9 cm3
c)
24 cm3
d)
48 cm3
65.
Hoe heet het GRONDVLAK van dit figuur?
a)
driehoek
b)
rechthoek
c)
vierkant
d)
cirkel
66.
Hoe bereken je de oppervlakte van een driehoek?
a)
1/2 x hoogte
b)
lengte x breedte
c)
ﬨ x straal x straal
d)
1/2 x zijde x hoogte
67.

Bereken 5a voor a = 3

a)

53

b)

8

c)

15

d)

2

68.
Dit rokje kost nu...
a)
€59,40
b)
€50,-
c)
€54,00
d)
€56,00
69.
De tweede voor de helft van de prijs is ... % korting 
a)
50%
b)
30%
c)
15%
d)
25%
70.
3/8 deel is ... %
a)
50%
b)
24%
c)
37,5%
d)
40%
71.
In een kvd werken 12 mensen uit onderzoek blijkt dat 68% gelukkig is op het werk. Hoeveel medewerkers zijn dat ongeveer? 
a)
7
b)
6
c)
8
d)
9
72.

Wat betekent " procent" letterlijk?

a)

" van de honderd "

b)

" van de tien "

c)

" van de duizend "

73.
Welk decimaal getal hoort bij 74 procent?
a)
0,26
b)
1,74
c)
0,33
d)
0,74
74.

hoeveel % is 1/20

a)

20%

b)

3%

c)

5%

d)

7.5%

75.

Hoe noem je de rode stippellijn CD?

a)

diagonaal van de driehoek

b)

zijde van de driehoek

c)

hoogtelijn van de driehoek

76.

Reken hier de oppervlakte van uit:

a)

108

b)

180

c)

90

d)

54

77.

Wat is hier de oppervlakte van deze parallellogram?

a)

7 x 8 = 56 cm2

b)

7 x 4 = 28 cm2

c)

8 x 4 = 32 cm2

d)

8 x 7 x 4 = 224 cm2

78.

Welke vlakke figuur is dit?

a)

cirkel

b)

ellips

c)

driehoek

d)

vierhoek

e)

vijfhoek

79.
Wat is de naam van dit vlakke figuur?
a)
Parallellogram
b)
Gelijkbenig Trapezium
c)
Rechthoekig Trapezium
d)
Trapezium
80.
Welk figuur heeft:
- 4 hoeken
- 4 even lange zijden
- geen rechte hoeken
a)
vierkant
b)
rechthoek
c)
ruit
d)
vlieger
81.

5/6 x 6/7 =

(Niet vereenvoudigen)

a)

30/42

b)

30/13

c)

11/13

d)

31/40

82.
Rond het getal 16,275831 af op 2 decimalen.
a)
16,27
b)
16,276
c)
16,28
d)
16,30
83.
Bij welk figuur kun je de stelling van Pythagoras gebruiken?
a)
Een cirkel
b)
Een rechthoek
c)
Een gelijkzijdige driehoek
d)
Een rechthoekige driehoek
84.

Welke zijde is een rechthoekszijde?

a)

AB

b)

BC

c)

AC

85.

Wat is de juiste berekening (met Pythagoras) van de diagonaal BG?

a)

62 + 62 = 36 + 36 = 72

√72 ≈ 8,49 cm

b)

6 + 6 = 12

√12 ≈ 3,46 cm

c)

6 x 6 = 36

36 : 2 = 18 cm

d)

6 + 6 = 12

122 + 122 = 144 + 144 = 288

√288 ≈ 16,97 cm

86.

Wat is het begingetal?

a)

-3

b)

1,5

c)

0

d)

2

87.

Wat is de richtingscoëfficient?

a)

-3

b)

2

c)

4

d)

-2

88.

Twee lijnen zijn evenwijdig wanneer ...

a)

ze hetzelfde begingetal hebben

b)

de lijn door de oorsprong gaat

c)

de richtingscoëfficiënten gelijk zijn

d)

het product van de richtingscoëfficiënten -1 is

89.

Welke lijn heeft een negatieve richtingscoëfficiënt?

a)

de blauwe lijn

b)

de groene lijn

c)

de blauwe en de groene lijn

d)

de rode lijn

90.

Voor welke x snijdt de lijn y = 2x + 2 de x-as?

a)

x = 0

b)

x = 0,5

c)

x = - 0,5

d)

x = -1

91.

De formule is: verdiensten in euro = 2 + 4t met t: tijd in uren.

Je wilt uitrekenen hoeveel uur Inge moet werken om € 24 te verdienen.

Welke vergelijking moet je oplossen?

a)

2 + 4 x 24

b)

2 + 4t

c)

2 + 4t = 24

92.

Een kaars wordt tijdens het branden steeds korter.

We gebruiken de formule: L = 20 - 8t

Na hoeveel uur is de kaars 4 cm lang?

a)

L = 2

b)

t = 2

93.

Wat is het product van de getallen 34 en 2?

a)

68

b)

36

c)

17

d)

32

94.

Is deze formule een dalparabool of een bergparabool?

h = 0,6a - 2a2

a)

Dalparabool

b)

Bergparabool

c)

geen van beiden

95.

Welk getal is hier de modus?

3 4 4 5 6 7

a)

3

b)

4

c)

7

d)

geen modus

96.

Welk getal is de mediaan?

3 4 4 5 6 6 7

a)

4

b)

5

c)

6

d)

geen mediaan

97.
Een cirkeldiagram geeft de verdeling van waarnemingen weer. Dit kan met sectorhoeken. Hoeveel graden zijn dan alle sectoren samen?
a)
90
b)
100
c)
180
d)
360
98.

Er wordt een cirkeldiagram gemaakt van woonplaatsen. Van 400 leerlingen wonen 100 leerlingen in Utrecht. Welke sectorhoek hoort hierbij?

a)

45

b)

90

c)

180

d)

360

99.
Op hoeveel % moet je het kopieerapparaat zetten als je je foto 2 x zo groot wilt hebben?
a)
100%
b)
2%
c)
200%
d)
150%
100.

Wat is de vergrotingsfactor van de oppervlakte van de twee rechthoeken?

a)

3

b)

0,3

c)

9

d)

0,17