wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenen RTTI WRG en BVZ Biologie 1T

Total questions: 70

Worksheet time: 46mins

Name
Class
Date
1.
Hoeveel verschillende soorten zintuigen kennen we?
a)
3 namelijk in je oog, oor en neus
b)
4 namelijk in je oog, oor, neus en huid
c)
5 namelijk in je oog, neus, oor, huid en mond
d)
6 namelijk in je oor, huid, oog, neus, mond en tong
2.
Het drukzintuig is een onderdeel van de huid.
a)
Juist
b)
Onjuist
3.
Iets waar je zintuigen op reageren heet een ...
a)
Impuls
b)
Seintje
c)
Prikkel
d)
Zenuw
4.
Het centrale zenuw-stelsel bestaat uit:
a)
Zenuwen
b)
Zenuwen en de hersenen
c)
Zenuwen en het ruggenmerg
d)
De hersenen en het ruggenmerg
5.
Bewust worden gebeurt in de spieren.
a)
Juist
b)
Onjuist
6.
De weg die een geurstof tot aan de hersenen moet maken is:
1: Langs het neus-slijmvlies
2: Langs het reuk-zenuw
3: Langs de reuk-zintuigcellen
4: Hersenen
a)
Juist
b)
Onjuist
7.
Wat wordt bedoeld in het kader  bij het vraagteken?
a)
Neusholte
b)
Neus-slijmvlies
c)
Reukharen
d)
Zintuigcellen
8.
De verschillende smaken die de smaak zintuigcellen kunnen onderscheiden zijn:
a)
Zuur, Zout, Zoet
b)
Zuur, Zout, Zoet, Pittig
c)
Pittig, Bitter, Zoet, Zout
d)
Zoet, Zout, Zuur, Bitter
9.
Bij welk zintuig hoort deze afbeelding?
a)
Gehoor-zintuig
b)
Gezichts-zintuig
c)
Reuk-zintuig
d)
Smaak-zintuig
10.
Met een droge tong proef je even goed als met een vochtige tong.
a)
Juist
b)
Onjuist
11.
Vanaf hoeveel decibel kan er gehoorschade optreden?
a)
60
b)
70
c)
80
d)
90
12.
Wat is de functie van oorsmeer?
a)
Vochtig houden van het trommelvlies
b)
Soepel houden van het trommelvlies
c)
Zorgt ervoor dat het trommelvlies niet kan bewegen
d)
Geeft het trommelvlies een gele kleur
13.
Hier bevindt zich het gehoorzintuig.
a)
Trommelvlies
b)
Gehoorbeentjes
c)
Slakkenhuis
d)
Buis van Eustachius
14.
Wimpers zorgen ervoor dat het zweet niet in je ogen loopt.
a)
Juist
b)
Onjuist
15.
Met dit deel van het oog kan je scherp zien.
a)
Iris
b)
Pupil
c)
Harde oogvlies
d)
Lens
16.
In deze laag van het oog liggen de meeste bloedvaten.
a)
Harde oogvlies
b)
Vaatvlies
c)
Netvlies
17.
Langs welke weg gaat het licht van het oog-zintuig?
a)
Hoornvlies-pupil-lens-glasachtige lichaam-netvlies
b)
Glasachtige lichaam-netvlies-pupil-lens-hoornvlies
c)
Hoornvlies-lens-netvlies
d)
Lens-pupil-hoornvlies-netvlies-glasachtige lichaam
18.
Met deze vlek kan je niets zien.
a)
Gele vlek
b)
Blinde vlek
c)
Lege vlek
d)
Zenuw vlek
19.
De pupil is eigenlijk een opening in plaats van een zwart gedeelte.
a)
Juist
b)
Onjuist
20.
Een ander woord voor impuls is ...
a)
Zenuw
b)
Prikkel
c)
Seintje
d)
Reactie
21.
Het zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en zenuwen
b)
hersenen en ruggenmerg
c)
hersenen en perifere zenuwen
d)
hersenen, ruggenmerg en zenuwen
22.
Het zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en zenuwen
b)
hersenen en ruggenmerg
c)
hersenen en perifere zenuwen
d)
hersenen, ruggenmerg en zenuwen
23.
Wat zijn zintuigen?
a)
ogen, oren, mond, neus, huid, handen
b)
ogen, mond, oren, huid, neus
c)
ogen, oren, mond, huid, neus, voeten
d)
ogen, oren, mond, huid, neus, gevoel
24.
Je zintuigen nemen
a)
taken waar
b)
mensen waar
c)
prikkels waar
d)
iets op
25.
In de zintuigen wordt van een prikkel een
a)
taak gemaakt
b)
afdruk gemaakt
c)
impuls gemaakt
d)
inpuls
26.

Welke zintuigen zitten in de huid?

a)

Tast, druk, warmte, koude en pijn

b)

Tast, druk, warmte, koude en gehoor

c)

Warmte, koude, zicht en pijn

d)

Smaak en reuk

27.

Wat is de functie van talgklieren?

a)

Zweet produceren om het lichaam af te koelen

b)

Talg produceren om haren en hoornlaag soepel te houden

c)

Talg produceren om bacteriën op de huid te doden

d)

Prikkels opvangen

28.

Welke lagen heeft de huid, van buiten naar binnen

a)

Opperhuid - lederhuid - onderhuids bindweefsel

b)

Opperhuid - onderhuids bindweefsel - lederhuid

c)

Lederhuid - onderhuids bindweefsel - opperhuid

d)

Onderhuids bindweefsel - lederhuid - opperhuid

29.

Wat is de functie van het neusslijmvlies?

a)

Stof en ziekteverwekkers tegenhouden

b)

Geurstoffen opvangen

c)

Neusharen soepel maken

d)

Impulsen maken

30.

Wat is de functie van de Buis van Eustachius?

a)

Zorgen dat de druk rondom het trommelvlies gelijk blijft zodat het goed kan trillen

b)

Zorgen dat er geen bacteriën vanuit de keelholte naar de trommelholte kunnen

c)

Trillingen doorgeven van de oorschelp naar het trommelvlies

d)

Impulsen vanuit het oor doorgeven aan de hersenen

31.

Als je vanuit een donkere ruimte naar een lichte ruimte loopt, welke spiertjes in de iris spannen zich dan aan?

a)

De kringspieren

b)

De lengtespieren

c)

Er zitten geen spieren in de iris

d)

Zowel de kringspieren als de lengtespieren

32.
Waar staat de juiste volgorde van gebeurtenis?
a)
impuls-prikkel-hersenen
b)
hersenen-prikkel-impuls
c)
impuls-hersenen-prikkel
d)
prikkel-impuls-hersenen
33.
Dankzij zweetklieren kan je lichaam afkoelen.
a)
Juist
b)
Onjuist
34.
Wat is nummer 10
a)
oorgang
b)
trommelvlies
c)
buis van eustachius
d)
oorzenuw
35.
Bij welke decibel kun je gehoorschade oplopen?
a)
80 dB
b)
60 dB
c)
70 dB
d)
90 dB
36.
welk nummer is het slakkenhuis?
a)
6
b)
7
c)
8
d)
9
37.
Wat is geen hormoonklier?
a)
Schildklier
b)
Bijnieren
c)
Hypofyse
d)
Borstklier
38.
Waarvoor zorgt hypofyse? 
a)
Speeksel aanmaak
b)
Haargroei
c)
Botgroei
d)
Hersengroei
39.
Wat betekend het begrip: bloedsuikerspiegel?
a)
Dat is de hoeveelheid suiker dat zich in het bloed bevind
b)
Dat is bloed met suiker gemengd 
c)
Dat is het glucosegehalte van het bloed
d)
Dat betekenend helemaal niks
40.
Waar hebben mensen met diabetes last van?
a)
De eilandjes van Langerhals produceren te weinig  insuline 
b)
Deze mensen hebben last van dwerggroei
c)
Deze mensen hebben een struma
d)
Het bloed is bij deze mensen te dik, waardoor het niet goed kan stromen
41.
Welk hormoon produceren die bijnieren?
a)
Adrenaline
b)
Groeihormoon
c)
Insuline 
d)
Geslachshormonen
42.

De tekening geeft schematisch de bouw weer van een bepaalde klier met aan- en afvoerwegen in het lichaam van de mens.

Voor welke van de volgende klieren kan dit schema gelden?

a)

voor een bijnier

b)

voor een eilandje van Langerhans

c)

voor de schildklier

d)

voor een talgklier

43.
Wat is een reflex?
a)
Vaste, snelle, onbewuste reactie
b)
Trage reactie
c)
Bewuste reactie
44.
Welke groep mensen loopt het meeste kans op diabetes? 
a)
Ouderen 
b)
Jongeren
c)
Mensen met overgewicht
d)
Baby's
45.

De witte dovenetel (plant) lijkt een beetje op brandnetels. Maar kan de witte dovenetel jou ook prikken?

a)

Ja

b)

Nee

46.

Zaadplanten hebben bloemen. Waar gebruikt een zaadplant zijn bloemen voor? (de functie van bloemen)

a)

Een zaadplant maakt bloemen zodat deze verkocht kunnen worden in een winkel.

b)

Een zaadplant gebruikt zijn bloemen om zich voort te planten

c)

Een zaadplant gebruikt zijn bloemen om zuurstof in de lucht los te laten.

d)

Een zaadplant gebruikt zijn bloemen om voedingsstoffen op te nemen.

47.

Welke stelling klopt?

a)

Meeldraden maken stuifmeel

b)

Meeldraden zijn de vrouwelijke voortplantingsorganen van een plant.

c)

Met meeldraden kun je tarwemeel maken.

d)

De onderkant van een meeldraad heet de vruchtbeginsel

48.

De stamper is het vrouwelijk voorplantingsorgaan van een plant. Uit welke onderdelen bestaat de stamper?

a)

Stempel, stijl en kroonblad

b)

Bloemkelk, Stijl en vruchtbeginsel

c)

Stempel, Stijl en vruchtbeginsel

d)

Vruchtbeginsel, Stempel en bloemkelk

49.

Hoe kun je stuifmeelkorrels het best omschrijven?

a)

Stuifmeelkorrels zijn de mannelijke voortplantingscellen.

b)

Stuifmeelkorrels zijn de vrouwelijke voortplantingscellen

c)

Stuifmeelkorrels zijn de eicellen van planten

d)

Stuifmeelkorrels zijn de grootste cellen van een plant

50.

De bloemkroon bestaat uit kroonbladeren. Hoe kun je kroonbladeren het best omschrijven?

a)

Kroonbladeren zijn FEL gekleurd en kunnen insecten naar zich toe LOKKEN.

b)

Kroonbladeren zijn FEL gekleurd en BESCHERMEN de bloem.

c)

Kroonbladeren zijn meestal GROEN en LOKKEN insecten.

d)

Kroonbladeren zijn GROEN en BESCHERMEN de bloem.

51.

Een zaadplant maakt eicellen. Waar kun je die eicellen vinden?

a)

In de stempel

b)

In de stijl

c)

In het zaadbeginsel

d)

In de meeldraden

52.

Bijen kunnen bloemen (helpen bij het) bestuiven. Hoe lokken planten de bijen aan?

a)

Door de felle kleuren van de bloemen en het nectar dat een bloem maakt.

b)

Door de groene kleuren van de bloemen en het nectar dat een bloem maakt.

c)

Door de honing die bloemen maken.

d)

Door de felle kleur van de stamper en de honing die bloemen maken.

53.

Hebben de eicellen van een plant ook een kern?

a)

Ja

b)

Nee

54.

Is het vruchtbeginsel een deel van een stamper

a)

Ja

b)

Nee

55.

Welk antwoord is goed?

a)

In een Vruchtbeginsel zit maar één eicel

b)

In een Zaadbeginsel zit maar één eicel

c)

In een Zaadbeginsel zit meerdere eicellen

56.

Heeft gras ook bloemen?

a)

Nee

b)

Ja, maar die groeien niet door de kou

c)

Ja, maar die zijn klein en vallen niet op

d)

Ja, maar die worden door grazende dieren opgegeten

57.

Bekijk de afbeelding. Welk nummer geeft de stijl aan?

a)

1

b)

5

c)

6

d)

2

58.

Bekijk de afbeelding. Welk onderdeel helpt bij het lokken van bijen

a)

1

b)

2

c)

4

d)

3

59.

Bekijk de afbeelding. Welk deel van de plant beschermt de bloemkroon tegen kou en uitdroging?

a)

Nummer 6

b)

Nummer 4

c)

Nummer 3

d)

Nummer 1

60.
Vaak groene, kleine kroonbladeren
a)
insectenbloem
b)
windbloem
61.
Produceren veel stuifmeel
a)
insectenbloem
b)
windbloem
62.
Bloemen zijn vaak geurend
a)
insectenbloem
b)
windbloem
63.
Dit is een 
a)
insectenbloem
b)
windbloem
64.
Dit is een 
a)
insectenbloem
b)
windbloem
65.
Dit is een 
a)
insectenbloem
b)
windbloem
66.

Waar kun je de kern van de stuifmeelkorrel in de stuifmeelbuis vinden.

a)

Buiten de stamper

b)

In de vruchtbeginsel

c)

Aan de uiteinde van de stuifmeelbuis

67.

Wat gebeurt er bij de bevruchting van eicel in het zaadbeginsel?

a)

De eicel wordt vervoerd naar de stempel zodat deze bevrucht kan worden.

b)

De eicel versmelt in de stijl met de stuifmeelkorrel

c)

De kern van de stuifmeelkorrel versmelt met die van de eicel in het zaadbeginsel.

68.

Waar groeit een stuifmeelbuis naar toe?

a)

Naar de eicel in een zaadbeginsel

b)

Naar het vruchtbeginsel

c)

Naar de stijl

d)

Naar de bloemkelk

69.

Welk deel van een bloem droogt uit en kun je vaak nog zien bij een vrucht.

a)

De bloemkelk

b)

De bloemkroon

c)

De meeldraden

70.

Welk antwoord is hier goed?

a)

Een kiem ontstaat uit het zaad

b)

Een kiem ontstaat uit het vruchtbeginsel

c)

Een kiem ontstaat uit de bevruchte eicel