wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Planten en dieren KGT ( 1 tm 3)

Total questions: 36

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Een organisme is een levend wezen.

a)

ja

b)

nee

2.

Kinderen krijgen hoort bij het levenskenmerk waarnemen.

a)

ja

b)

nee

3.

Stelling 1: De zon is een organisme.

Stelling 2: Een stuk ijzer is een organisme.

a)

alleen stelling 1 is goed

b)

alleen stelling 2 is goed

c)

ze zijn allebei goed

d)

ze zijn allebei fout

4.

Als een boom elk jaar groeit en zwaarder wordt, noem je dat ontwikkeling.

a)

ja

b)

nee

5.

Als je een hond uitlaat, dan gaat hij op zoek naar de geur van andere honden. Als de hond die geur geroken heeft, dan plast hij ook op die plek.

Welke twee levenskenmerken horen hierbij?

a)

groeien en waarnemen

b)

uitscheiden en voortplanten

c)

uitscheiden en waarnemen

d)

voortplanten en groeien

6.
Wat is geen levenskenmerk?
a)
Voeden
b)
Bewegen
c)
Slapen
d)
Voortplanten
7.

Eten hoort bij het levensverschijnsel.......................

a)

ademen

b)

uitscheiden

c)

voeden

d)

waarnemen

8.

Een stilzittende, bijna niet ademende sprinkhaan is dood.

a)

ja

b)

nee

9.

Is deze houten kast levend, dood of levenloos?

a)

levend

b)

dood

c)

levenloos

10.

Is dit standbeeld levend, dood of levenloos?

a)

levend

b)

dood

c)

levenloos

11.

Wolken zijn..............................

a)

levend

b)

dood

c)

levenloos

12.

Een bruine boon kan water opnemen door het poortje.

a)

ja

b)

nee

13.

In de levenscyclus van een bruine boon komen als stadia onder andere kiemplant en volwassen plant voor.

In het stadium van de volwassen plant kunnen er zich zaden aan de plant ontwikkelen.

a)

ja

b)

nee

14.

Met welk nummer is het deel aangegeven waar reservevoedsel zit?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

d)

nummer 4

15.

Met welk nummer is de navel aangegeven?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

d)

nummer 4

16.
Zet de volgende gebeurtenissen bij het kiemen van een zaad in volgorde.
1. De zaadlobben komen boven de grond.
2. Het worteltje komt naar buiten.
3. De zaadhuid scheurt open
a)
1-2-3
b)
3-2-1
c)
2-1-3
d)
3-1-2
17.
Wat gebeurt er met de zaadlobben van een bruine boon tijdens de kieming en de eerste groei?
a)
De stoffen uit de zaadlobben worden verbruikt
b)
Verschrompelen en vallen af
c)
De stoffen uit de zaadlobben worden verbruikt, ze verschrompelen en vallen af
d)
Niks
18.
Waar haalt een bruine boon tijdens de kieming zijn voeding vandaan?
a)
Uit de zaadlobben
b)
Uit de zaadhuid
c)
Uit de navel
d)
Uit de grond
19.

Hier zie je de zaadhuid van een bruine boon

a)

waar

b)

niet waar

20.
Hoeveel zaadlobben heeft een bruine boon?
a)
één
b)
twee
c)
drie
d)
vier
21.

Kruipen, zitten, staan en lopen horen bij de ontwikkeling van een kind.

a)

waar

b)

niet waar

22.
Wat betekent groeispurt?
a)
Een periode van snelle groei
b)
Een periode van geen groei
c)
Een periode van ontwikkeling
23.

Hoe noemen we levensfasen van 16 tot 21 jaar?

a)

puber

b)

adolescent

c)

volwassene

d)

schoolgaand kind

24.

Geestelijke ontwikkeling is ...............

a)

de verandering in de bouw van een organisme

b)

de ontwikkeling van het verstand, het gevoelsleven en karakter

c)

het leren van bepaalde bewegingen

25.
Is het groter en zwaarder worden van je lichaam een lichamelijke of een geestelijke ontwikkeling?
a)
Lichamelijke ontwikkeling
b)
Geestelijke ontwikkeling
26.

Wat is de juiste volgorde van levenfases?

a)

Puber, oudere, adolescent, peuter, kind, kleuter, baby, volwassenen

b)

Baby, peuter, kleuter, kind, puber, adolescent, volwassenen, oudere

c)

Baby, kleuter, peuter, kind, adolescent, volwassenen, oudere

d)

Oudere, volwassenen, adolescent, puber, kind, kleuter, peuter, baby

27.

Welke leeftijd hoort bij de levensfase puber?

a)

10-18

b)

12-20

c)

10-17

d)

12-17

28.
Op de afbeelding zie je een voorbeeld van ......
a)
een natuurgetrouwe tekening van een bloem
b)
een schematische tekening van een bloem
29.
Wat is geen tekenregel?
a)
Teken groot.
b)
Schrijf er altijd bij wat je getekend hebt.
c)
Je moet altijd een doorsnede tekenen.
d)
Teken eerst dun en als het goed is ,maak je de lijnen dikker
30.
Is die een schematische of natuurgetrouwe tekening?
a)
Schematisch
b)
Natuurgetrouw
31.
Met een loep bekijk je....
a)
Kleine dingen zoals zaden
b)
Bacteriën
c)
Schimmels
d)
Bomen
32.

Welke afbeelding geeft een natuurgetrouwe tekening weer?

a)
b)
c)
33.

Een kiem bestaat uit de volgende onderdelen

a)

wortel en een plantje

b)

worteltje, stengeltje, blaadjes

c)

een worteltje en een bloem

d)

een zaadje en een worteltje

34.

Het reservevoedsel van de kiem om te groeien zit in de:

a)

Wortel

b)

Zaad

c)

Zaadlobben

d)

Zit er niet in

35.

Wat is groeien?

a)

langer worden.

b)

dikker worden.

c)

veranderen

d)

Groter en zwaarder worden

36.

In de afbeelding zie je een...?

a)

Buitenaanzicht

b)

Lengtedoorsnede

c)

Dwarsdoorsnede