wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets hoofdstuk 1: Wat is biologie?

Total questions: 41

Worksheet time: 2hrs 0mins

Name
Class
Date
1.

1.2

Een Organisme is......

a)
Iets wat nooit geleefd heeft
b)
Een levend wezen
c)
Een onderdeel van het menselijk lichaam
d)
De leer van het leven
2.

1.2

Iets wat  geleefd heeft ,noemen we .....

a)
levend
b)
levenloos
c)
dood
d)
bewegend
3.

1.2

Is deze spiegel levend, dood of levenloos? Leg je antwoord uit.

4 lines
4.

1.2

Is het eitje op de foto levend, levenloos of dood? Leg je antwoord uit.

4 lines
5.

1.2

Is dit lammetje levend, dood of levenloos? Leg je antwoord uit.

4 lines
6.

1.2

Iets wat nooit geleefd heeft noemen we (a)   .

7.

1.2

Wat zijn levenskenmerken?

a)
Hieraan kun je zien of iets dood is
b)
Hieraan kun je zien of iets levenloos is
c)
Hieraan kun je zien of iets waar is
d)
Hieraan kun je zien of iets leeft
8.

1.2

Tot de levenskenmerken behoren.......

a)
groeien,ademhalen,ruiken
b)
ademhalen,zich voeden,lopen
c)
uitscheiden,bewegen,ademhalen
d)
voortplanten,groeien,horen
9.

1.1

Wat betekend het woord Biologie?

a)

Levend

b)

Leer van het leven

c)

levende dingen

d)

leren van de natuur

10.

1.2

Welke van de onderstaande woorden zijn levenloos?

a)

een dode boom

b)

lucht

c)

stenen

d)

vissen

11.

1.2

Welke van de onderstaande woorden is geen levensverschijnselen.

a)

Eten

b)

Voortplanten

c)

Wachten

d)

Ademhalen

12.

1.2

Welke van de onderstaande dingen zijn geen organisme?

a)

Pantoffel diertje

b)

Libelle

c)

Schimmel

d)

Stuk hout

e)

Virus

13.

1.3

Wat zijn de 4 hoofdgroepen waarin we organismen in kunnen delen?

a)

Virussen, Planten, Bacteriën & Schimmels

b)

Paddenstoelen, Gewervelden, Bacteriën & Planten

c)

Dieren, Schimmels, Bacteriën & Planten

d)

Zoogdieren, Bomen, Bacteriën & Schimmels

14.

1.3

Een oesterzwam (paddenstoel) behoort tot de hoofdgroep:

a)

Planten

b)

Dieren

c)

Bacteriën

d)

Schimmels

15.

1.2

Wind, temperatuur, virussen & water zijn allemaal voorbeelden van (a)   factoren.

16.

1.2

Voedsel, roofvijanden & soortgenoten zijn voorbeelden van (a)   factoren.

17.

1.2

Wat zijn voorbeelden van biotische factoren (meerder antwoorden zijn goed).

a)

Temperatuur van het water

b)

Watervlooien in het water

c)

Licht dat het water doordringt

d)

Gelegenheid om te schuilen onder waterleliebladeren

18.

1.5

Waar is deze afbeelding een voorbeeld van?

a)

Ecosysteem

b)

Levensgemeenschap

c)

Biotische factoren

d)

Individu

19.

1.2

Levende invloeden vanuit de natuur op een organisme noemen we;

a)

Dood

b)

Abiotische factoren

c)

Biotische factoren

d)

Levenloos

e)

levend

20.

1.2

Niet levende invloeden vanuit de natuur op een organisme noemen we:

a)

Levend

b)

Abiotische factoren

c)

Biotische factoren

d)

Dood

e)

Levenloos

21.

1.2

Tik alle biotische factoren aan

a)

Ziekteverwekkers

b)

Soortgenoten

c)

Bodem

d)

Voortplanting

e)

Schuilplaats

22.

1.2

Tik alle abiotische factoren aan

a)

Water

b)

Bodem

c)

Ziekteverwekkers

d)

Voedsel

e)

Temperatuur

23.

1.4

Een lintworm gaat in de darmen van een mens zitten om daar al het eten op te eten die er binnen komt. Welke vorm van samenleving is er tussen de lintworm en de mens?

a)

Parasitisme

b)

Mutualisme

c)

Concurrentie

d)

Predatie

24.

1.5

Tot welk niveau van de ecologie behoort een hert in een bos?

a)

individu

b)

populatie

c)

ecosysteem

d)

levensgemeenschap

25.

1.2

VWO: Is concurrentie een biotische factor of een abiotische factor? Leg je antwoord uit.

4 lines
26.

1.5

Het aantal individuen van een bepaalde soort die samen leven in een bepaald gebied, noemen we ook wel een...….

a)

ecosysteem

b)

populatie

c)

samenleving

d)

levensgemeenschap

27.

1.5

Wat is de goede volgorde van van klein naar groot?

a)

Individu- levensgemeenschap-ecosysteem-populatie

b)

Ecosysteem-populatie-individu-levensgemeenschap

c)

Individu-populatie-levensgemeenschap-ecosysteem

d)

Levensgemeenschap-populatie-ecosysteem-individu

28.

1.5

Een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied, die zich onderling voortplanten noem je een;

a)

Individu

b)

Populatie

c)

Ecosysteem

d)

Voedselketen

29.

1.5

In de afbeelding zijn enkele voedselrelaties in een levensgemeenschap in zoetwater schematisch weergegeven. Drie schakels, aangeduid met 1, 2 en 3, zijn niet ingevuld.

Bij welk nummer moet een plantensoort worden ingevuld?

a)

1

b)

2

c)

3

30.

1.6

VWO: Een brood werd twee weken op een vochtige plaats weggezet in een keuken. Drie verschillende soorten schimmels groeiden op het brood. Wanneer we aannemen dat het brood niet uitdroogt, wat is dan een waarschijnlijke voorspelling over het gewicht van het brood + de schimmels na drie weken?

a)

Het gewicht/de massa is toegenomen door de groei van de schimmels

b)

Het gewicht/de massa is hetzelfde gebleven omdat de schimmel brood omzet in biomassa

c)

Het gewicht/de massa neemt af omdat de groeiende schimmel brood omzet in energie

d)

Het gewicht/de massa neemt af omdat de schimmel brood omzet in biomassa en gassen.

31.

1.5

Tot welk niveau van de ecologie behoort een groep bavianen in een savanne?

a)

Populatie

b)

Biosfeer

c)

Levensgemeenschap

d)

Ecosysteem

32.

1.5

Wat is de populatiegrootte?

a)

Het aantal organismen in een ecosysteem

b)

Het aantal organismen in een levensgemeenschap

c)

Het aantal organismen in een populatie

33.

1.4

Havo: Het is paarseizoen. Vijf paar vogels willen een nestje bouwen in een struik waar plek is voor drie paar vogels.


Is dit een voorbeeld van concurrentie of symbiose?

a)

Concurrentie

b)

Symbiose

34.

1.4

Havo:

Welke symbiotische relaties is dit?


Een kever imiteert de geur van mierenlarven en wordt hierdoor meegenomen naar de het nest van de mieren om daar larven gevoed te krijgen van de mieren.

a)

Mutualisme

b)

Parasitisme

c)

Commensalisme

35.

1.3

Bij welk levenskenmerk hoort deze foto?

a)

Groeien

b)

Ontwikkelen

c)

Ademhalen

d)

Voortplanten

36.

1.6

Havo:

Sabrina doet een onderzoek over de invloed van de zuurgraad van de bodem op het ontkiemen van tuinkerszaden.

Dit onderzoek kan men in vijf stappen delen. In willekeurige volgorde zijn deze stappen:

1) Sabrina verwacht dat zaden van tuinkers bij een lagere en hogere Ph slechter zullen ontkiemen dan bij een neutrale pH.

2) Sabrina laat 20 zaadjes van tuinkers ontkiemen bij pH 6 en 25 zaadjes bij pH 7 en 25 zaadjes bij pH 8.

3) Sabrina stelt vast dat bij pH 8 maar 4 zaadjes van tuinkers ontkiemen, bij pH 6 maar 8 en bij pH 7 zijn dat er 22.

4) Sabrina leest in een boek dat voor het ontkiemen van zaden de pH neutraal moet zijn.

5) Sabrina vraagt zich af of bij een lagere en hogere zuurgraad minder zaadjes van tuinkers ontkiemen dan bij een neutrale pH.

6) Sabrina concludeert dat pH 7 inderdaad de ideale zuurgraad is voor de ontkieming van tuinkers.


Welke stap is de hypothese?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

37.

1.6

VWO:

Sabrina doet een onderzoek over de invloed van de zuurgraad van de bodem op het ontkiemen van tuinkerszaden.

Dit onderzoek kan men in vijf stappen delen. In willekeurige volgorde zijn deze stappen:

1) Sabrina verwacht dat zaden van tuinkers bij een lagere en hogere Ph slechter zullen ontkiemen dan bij een neutrale pH.

2) Sabrina laat 20 zaadjes van tuinkers ontkiemen bij pH 6 en 25 zaadjes bij pH 7 en 25 zaadjes bij pH 8.

3) Sabrina stelt vast dat bij pH 8 maar 4 zaadjes van tuinkers ontkiemen, bij pH 6 maar 8 en bij pH 7 zijn dat er 22.

4) Sabrina leest in een boek dat voor het ontkiemen van zaden de pH neutraal moet zijn.

5) Sabrina vraagt zich af of bij een lagere en hogere zuurgraad minder zaadjes van tuinkers ontkiemen dan bij een neutrale pH.

6) Sabrina concludeert dat pH 7 inderdaad de ideale zuurgraad is voor de ontkieming van tuinkers.


In welke volgorde moeten bovenstaande stappen worden gezet om een natuurwetenschappelijk onderzoek te krijgen?

a)

415236

b)

154236

c)

451236

d)

451326

e)

465123

38.

1.6

Welke voetlengte hoort er bij schoenmaat 29?

a)

17 cm

b)

17.7 cm

c)

18,4 cm

d)

120 cm

39.

1.6

In de afbeelding zie je een grafiek van een bergbeklimmer. Je ziet hoe hoog hij is geklommen op welk uur.


Vraag: Hoe hoog was de bergbeklimmer op 2 uur?

a)

3200 m

b)

3200 km

c)

4000 m

d)

4000 km

40.

1.6

Wat staat er in je conclusie?

a)

De vergelijking van resultaten en je verwachting.

b)

Alles wat je tijdens het onderzoek ziet of gebeurt.

c)

Wat je gaat onderzoeken.

d)

Antwoord op je onderzoeksvraag.

41.

1.5

Schrijf alle nummers uit de afbeelding onder elkaar en noteer per nummer het juiste organisatie niveau.

4 lines