wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voeding en vertering VERZ KGT

Total questions: 47

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.
Alle producten die je eet of drinkt noem je
a)
Voedingsproducten
b)
Voedsel
c)
Voedingsmiddelen
2.

Een ei hoort bij ........................voedingsmiddelen

a)

plantaardige

b)

dierlijke

3.

Wat zijn voedingsstoffen?

a)

Alles wat je eet en drinkt

b)

de bruikbare bestanddelen van het eten en drinken

4.
Dit is een 
a)
voedingsmiddel
b)
voedingsstof
5.
De functie van voedingsvezels is het bevorderen van de darmperistaltiek
a)
Juist
b)
Onjuist
6.

Welke groepen van voedingsstoffen zijn er?

a)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten en vitaminen

b)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, mineralen, water en vitaminen

c)

Eiwitten, vetten, mineralen, zouten, water en vitaminen

d)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten, mineralen, water en vitaminen

7.
Onder beschermende stoffen vallen de 
a)
Koolhydraten en vetten
b)
mineralen en vitaminen
c)
Water en vitaminen
d)
Vitaminen en voedingsstoffen
8.

Koolhydraten en vetten zijn........................

a)

bouwstoffen

b)

beschermende stoffen

c)

reservestoffen

d)

brandstoffen

9.

Welke voedingsmiddelen zijn beter voor de goede werking van de darmen?

a)

plantaardige

b)

dierlijke

10.

Hoe kun je kruisbesmetting voorkomen?

a)

leg rauw vlees niet bij elkaar

b)

gebruik verschillende voor vlees en groenten

c)

maak geen maaltijden klaar met vlees en groenten erin

d)

leg rauw en klaargemaakt vlees niet bij elkaar

11.
Juist of onjuist? Een van de adviezen voor gezonde voeding is: 'eet minder onverzadigd vet'. 
a)
Juist
b)
Onjuist, minder verzadigd vet
12.

Waar worden voedingsgewoonten door bepaald?

a)

ouders

b)

cultuur

c)

vrienden

13.
De hoeveelheid voeding dat je tot je moet nemen is afhankelijk van ..........................
a)
Geslacht, leeftijd, lichaamsgrootte, lichamelijke inspanning en cultuur
b)
Omgeving, leeftijd, geslacht en lichamelijke inspanning
c)
Geslacht, leeftijd, lichaamsgrootte en lichamelijke inspanning
14.

Joule is de eenheid waarmee we energie aangeven

a)

waar

b)

niet waar

15.

1 kcal is hetzelfde als 1 kj

a)

waar

b)

niet waar

16.

Hoe kan overgewicht veroorzaakt worden?

a)

door aanleg

b)

ziekte

c)

medicijngebruik

d)

teveel eten

17.

Waar kan overgewicht toe leiden?

a)

dat je steeds door stoelen zakt

b)

grotere kans op hart-en vaatziekten

c)

grotere kans op suikerziekte

d)

last van botten en spieren

18.

Deze eetstoornis heet......................

a)

overgewicht

b)

anorexia

c)

verkeerde eetgewoonten

19.

Wat hoort bij landbouw?

a)

veeteelt

b)

tuinbouw

c)

visserij

d)

akkerbouw

20.

Wat betekent het woord conserveren?

a)

Dat is een ander woord voor geur.

b)

Delen van een plant die het eten smaak geven, zoals kaneel.

c)

Genieten van lekker eten.

d)

Zorgen dat het eten langer goed blijft.

21.
Manieren om voedsel te conserveren zijn
a)
vacuüm verpakken
b)
drogen
c)
steriliseren
d)
alle antwoorden zijn manieren van conserveren
22.

Drie methoden om voedselbederf door bacteriën en schimmels tegen te gaan, zijn invriezen, pasteuriseren en steriliseren.

Bij welke van deze methoden worden de enzymen in bacteriën en schimmels tijdelijk onwerkzaam gemaakt?

a)

Bij invriezen

b)

Bij pasteuriseren

c)

Bij steriliseren

23.

Wat zijn voordelen van voedselbereiding?

a)

celwanden van planten worden door koken al voor een deel stuk gemaakt, dus beter te verteren

b)

door het warm maken van eiwitten kan het lichaam ze beter gebruiken

c)

bacteriën en schimmels worden gedood

d)

je maakt het lekkerder

24.

Wat is het voordeel van stomen? ( van voedingsmiddelen)

a)

kleur, smaak en voedingsstoffen blijven behouden

b)

het wordt op hoog vuur dichtgeschroeid

c)

je gebruikt geen olie of boter maar water

25.

Voorbeelden van hulpstoffen zijn.......

a)

conserveermiddelen

b)

boter en olie

c)

kleurstoffen

d)

smaak- en geurstoffen

26.

Hulpstoffen die veilig zijn bevonden hebben een ..........

a)

V-nummer

b)

H-nummer

c)

E-nummer

d)

G-nummer

27.

Bruin brood, groente en fruit bevatten...

a)

Voedingsvezels

b)

Lekkere sappen

c)

Voedingsmiddel

28.

De weg van het voedsel is:

a)

Mond, maag, dunne darm, dikke darm, 12-vingerige darm, endeldarm, anus

b)

Mond, dunne darm, maag, dikke darm, anus, 12-vingerige darm, endeldarm, slokdarm

c)

Mond, Slokdarm, maag, 12-vingerige darm, dunne darm, dikke darm, endeldarm, anus

d)

anus, endeldarm, dikke darm, dunne darm, 12-vingerige darm, maag, slokdarm, mond

29.
Hoe heet orgaan 1?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
30.
Hoe heet orgaan 3?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
31.
Welk orgaan maakt alvleessap?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
32.
Hier wordt de voedselbrij ingedikt.
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
33.
Welk orgaan maakt gal?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
34.
Juist of onjuist? Het slijm uit speeksel verhoogt de glijbaarheid van het voedsel.
a)
Juist
b)
Onjuist
35.
Hoe heet de kringspier (A) op het einde van de maag?
a)
maagklep
b)
maagpoort
c)
maagportier
d)
maagspier
36.
Zie afbeelding. Welk orgaan is aangegeven met nummer 2?
a)
Mond
b)
Slokdarm
c)
Maag
d)
Lever
37.
Zie afbeelding. Waar wordt gal geproduceerd?
a)
Nummer 3
b)
Nummer 4
c)
Nummer 7
d)
Nummer 8
38.
Zie afbeelding (gif). Welke bewegingen die de lengte- en kringspieren afwisselend in de darmwand maken, worden hier afgebeeld?
a)
Periscopische beweging
b)
Periostaltische beweging
c)
Peristaltische beweging
39.
Juist of onjuist? Bij een blindedarmontsteking is alleen het wormvormig aanhangsel ofwel appendix ontstoken en dit wordt verwijderd. 
a)
Juist
b)
Onjuist, de hele blinde darm wordt verwijderd
40.
Bij diarree wordt in de dunne darm en in de dikke darm onvoldoende water in het bloed opgenomen
a)
Juist
b)
Onjuist
41.
Zie afbeelding. Nummer 1 is de/het ...............
a)
wortel
b)
kroon
c)
tandholte
d)
kaakbeen
42.
De functie van glazuur is?
a)
Laagje om het tandbeen van de wortels
b)
Het bevestigt de tand of kies in de kaak
c)
Zeer harde laag om het tandbeen van de kroon
d)
Het deel dat buiten de kaak uitsteekt
43.
Tandplak is een dun laagje aanslag dat zich dagelijks op de tanden en kiezen afzet
a)
Juist
b)
Onjuist
44.
Tanden en kiezen zijn voorbeelden van ...................
a)
Gebitselementen
b)
Gebitsfragmenten
45.
Zie de tandformule in de afbeelding. Deze formule is van een ..........................
a)
melkgebit
b)
volwassen gebit zonder verstandskiezen
c)
volwassen gebit met verstandskiezen
46.
In iedere kaakhelft van een blijvend gebit zitten:
a)
4 Snijtanden, 2 hoektanden en 5 kiezen
b)
2 Snijtanden, 2 hoektanden en 5 kiezen
c)
2 Snijtanden, 1 hoektanden en 5 kiezen
d)
4 Snijtanden, 1 hoektanden en 5 kiezen
47.

Tandsteen is door goed te poetsen te verwijderen.

a)

juist

b)

niet juist