wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

NaSk op het Pierson_kennismakingsquiz

Total questions: 31

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Wat is molecule

a)

Een mengsel tussen stoffen

b)

Kleine deeltjes van een stof

c)

Eigenschappen van een stof

2.

Noem een vloeibare vorm van neerslag

a)

Sneeuw

b)

IJzel

c)

Regen

d)

Hagel

3.

Waar zal de thermometer op de afbeelding voor gebruikt worden?

a)

Koorts meten

b)

Temperatuur buiten meten

c)

Temperatuur motor meten

d)

Temperatuur kokend water meten

4.

Het vriespunt van olijf-olie is -6 graden. Het is buiten -10 graden, in welke fase is de olie dan?

a)

Vast

b)

Vloeibaar

c)

Gas

5.
Hoeveel weegt één citroen?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
6.
Dit is een
a)
pipet
b)
maatcillinder
c)
reageerbuis
7.
Er zijn allerlei werk volgordes bij het schoonmaken. Van vuil naar schoon. Van boven naar beneden. Kies het juiste antwoord.
 W
elke volgorde is juist?
a)
Stoffen, stofzuigen, dweilen
b)
Dweilen, stofzuigen, stoffen
c)
Stofzuigen, stoffen, dweilen
8.

Stoffen kun je herkennen aan:

a)

Smaak

b)

Geur

c)

Kleur

d)

Alle drie eigenschappen zijn stofeigenschappen

9.

Waarvoor gebruik je een weegschaal?

a)

Om het volume van een hoeveelheid stof te bepalen

b)

Om de massa van een hoeveelheid stof te bepalen

c)

Om de dichtheid van een hoeveelheid stof te bepalen

d)

Om de lengte van een hoeveelheid stof te bepalen

10.

Bekijk de afbeelding. Hout verandert in een andere stof (as)

Hoe noemen we dit...

a)

Een natuurkundige reactie

b)

Een chemische reactie

c)

Een biologische reactie

11.

In figuur 1 zie je een foto waarop een beweging is vastgelegd door meerdere keren te flitsen. Tussen iedere flits zit 0,02 s. Hoeveel tijd zit er tussen het eerste en het laatste beeldje?

a)

0.02 s

b)

0.08 s

c)

0.10 s

d)

0.12 s

12.

Om je heen zie je verschillende stoffen.

Waaraan kun je een stof herkennen?

a)

aan zijn eigenschappen

b)

aan zijn kleur

c)

aan zijn massa

d)

aan zijn vorm

13.

Paulien krijgt in de les een aantal blokjes. Alle blokjes zijn van verschillend materiaal gemaakt. Paulien wil weten van welk materiaal elk blokje gemaakt is.

Wat moet ze doen om dat te ontdekken?

a)

aan de blokjes voelen

b)

de blokjes wegen

c)

de stof-eigenschappen onderzoeken

d)

het kookpunt en smeltpunt onderzoeken

14.

Verschillende metalen hebben verschillende eigenschappen.

Welke eigenschap hebben alle metalen?

a)

Alle metalen hebben een roestlaag.

b)

Alle metalen kunnen oxideren

c)

Alle metalen zijn goede warmte-geleiders.

d)

Alle metalen zijn magnetisch.

15.

Eenmoordzaak.

Ad en Ben zijn verdachten in een moordzaak. Ze leggen onder ede de volgende verklaringen af:

Ad: Ben is schuldig en Cor is onschuldig.

Ben: Als Ad schuldig is, dan is Cor ook schuldig.

Cor: Ik ben onschuldig, maar minstens één van de anderen is schuldig.


Stel dat ze alle drie de waarheid spraken, wie is/zijn er dan schuldig?

a)

Ad

b)

Ben

c)

Cor

16.
Hoeveel snoepjes zitten in de zak?
a)
2
b)
3
c)
5
d)
geen van alle
17.
Hoeveel weegt één teddybeer?
a)
1
b)
3
c)
4
d)
5
18.

Op de afbeelding is een ..... te zien.

a)

Maatbeker

b)

Bekerglas

c)

Maatcilinder

d)

Erlenmeyer

19.

Op welke afbeelding staat een maatcilinder?

a)
b)
c)
d)
20.

als een voorwerp krimpt, wordt het volume groter.

a)

soms

b)

vaak

c)

altijd

d)

nooit

21.

als een voorwerp uitzet, wordt het volume groter.

a)

soms

b)

vaak

c)

altijd

d)

nooit

22.

2 kilogram is hetzelfde als:

a)

20 gram

b)

200 gram

c)

2000 gram

d)

20000 gram

23.

1 kubieke decimeter ( 1 dm3)

a)

10 cm3

b)

100 cm3

c)

1000 cm3

d)

10000 cm3

24.

een balkje is 4 centimeter lang, 2 centimeter breed en 3 centimeter hoog. Wat is het volume van het balkje

a)

240 cm3

b)

24 cm3

c)

2,4 cm3

d)

0,24 cm3

25.

Wat is het doel van een onderzoek?

a)

Wat je wilt ontdekken

b)

Wat je wilt beleven

c)

Wat je wil zien

26.

Wat is de conclusie van het onderzoek?

a)

Wat je hebt gezien

b)

Wat je hebt beleefd

c)

Wat je hebt ontdekt

27.

2,10 m =

a)

210 cm

b)

21 cm

c)

2100 cm

d)

0,021cm

28.

45000 m =

a)

450 km

b)

4,5 km

c)

45 km

d)

0,45 km

29.

Het ........is de ruimte die een vloeistof inneemt. Wat moet er op de puntjes staan?

a)

Vloeistof

b)

Liter

c)

Massa

d)

Volume

30.

hoelang doet de maan erover om een rondje om de aarde te draaien?

a)

27,3 dagen

b)

24 uur

c)

25,8

d)

48 uur

31.

Wat gebeurt er als de aarde tussen de maan en de zon staat

a)

dan vergaat de aarde

b)

Dan zie je een zonsverduistering

c)

Dan zie je een maansverduistering

d)

Dan zie je een bloedmaan