Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

hoe maak je dat?

Total questions: 19

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

wat is een behoefte?

a)

iets wat je graag wilt hebben

b)

iets wat je dringend moet doen

c)

iets wat je niet zo leuk vindt

d)

iets wat je kunt vasthouden

2.

waar of niet waar: het verschil tussen goederen en diensten is dat je goederen echt kunt vasthouden en diensten niet

a)

waar

b)

niet waar

3.

Je ziet hier een voorbeeld van een:

a)

goed

b)

dienst

4.

Deze mensen verbouwen hun eigen groente. Hoe heet dat in de economie?

a)

zelfredzaamheid

b)

zelfconsumeren

c)

zelfvoorziening

d)

zelfbouw

5.

Welke beweringen zijn waar? (er kunnen meerdere waar zijn)

a)

gebruiksgoederen gaat niet zo lang mee

b)

verbruiksgoederen gaan niet zo lang mee

c)

gebruiksgoederen zijn bv. schooltas en etui

d)

verbruiksgoederen zijn bv. schoolboeken en je brood voor in de pauze

e)

verbruiksgoederen gebruik je meestal maar 1 keer

6.

Hoe heet het geld waarover je kunt beschikken?

a)

saldo

b)

budget

c)

schuld

d)

inkomen

7.

Een vriendin adviseert je om een iPhone 11 te kopen. Dit is een voorbeeld van:

a)

commerciële beïnvloeding

b)

sociale beïnvloeding

8.

Reclame is je aandacht trekken voor een bepaald product. Wie doen dit?

a)

winkeliers

b)

fabrikanten

c)

winkeliers en fabrikanten

d)

consumenten

9.

Wat is hier de doelgroep van deze reclame?

a)

jongeren

b)

ouders met kinderen

c)

ouderen

d)

scholieren

10.

De Consumentenbond is een voorbeeld van een:

a)

consumentenorganisatie

b)

fabrikantenorganisatie

c)

producentenorganisatie

d)

overheidsorganisatie

11.

Hoe heet een test waarbij verschillende producten met elkaar worden vergeleken?

a)

productentest

b)

vergelijkend warenonderzoek

c)

onderlinge productvergelijking

d)

consumetentest

12.

Welke beweringen zijn hier waar? (er kunnen meerdere waar zijn)

a)

Een deugdelijk product is als het bij normaal gebruik een redelijke tijd mee gaat

b)

Een nieuwe fiets gaat na 2 maanden stuk. Je hebt nu geen garantie omdat de fiets al twee maanden gebruikt is.

c)

Er zijn producten te koop waar je geen garantie op hebt

d)

Op elektronische producten heb je meestal 2 jaar garantie.

e)

In duurdere winkels heb je een langere garantie dan in goedkopere winkels

13.

Welke instantie let er op de kwaliteit van ons voedsel en andere verkochte producten?

a)

VNWA

b)

NWVA

c)

NVWA

d)

NWVA

14.

Welke soorten inkomen zijn er? (meerdere kunnen goed zijn)

a)

salaris

b)

uitkering

c)

winst

d)

loon

15.

Wat is een begroting?

a)

een overzicht van de verwachte inkomsten

b)

een overzicht van de verwachte uitgaven

c)

een overzicht van de verwachte inkomsten en uitgaven

d)

een overzicht van al je verwachte kosten

16.

Wat zijn hier voorbeelden van vaste lasten?

a)
b)
c)
d)
e)
17.

Een ander woord voor huishoudelijk uitgaven is ook wel dagelijkse uitgaven, Dit is:

a)

waar

b)

niet waar

18.

Kijk goed naar de afbeelding. Waaronder valt het uitgeven van geld aan de kapper?

a)

Dagelijkse uitgaven

b)

Vaste lasten

c)

Incidentele uitgaven

19.

Hoe heet het in dit hoofdstuk als je een deel van je inkomsten opzij zet voor latere grotere uitgaven?

a)

sparen

b)

budgeteren

c)

reserveren

d)

consumeren