wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bloed en bloedsomloop bs 1 tm 2 KGT

Total questions: 28

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.
Op deze afbeelding zie je
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
2.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
3.
De draden waar bij een wondje een korstje van komt worden gemaakt door
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
4.
De cel die midden in deze afbeelding ligt, is voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
5.
De vloeistof die nu boven in de buis zit, is voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
6.
Wat is de functie van bloedplaatjes
a)
bloedgroepen bepalen
b)
afweer
c)
Bloedstolling
d)
Zuurstof en CO2 vervoeren en opnemen
7.
waar bestaat bloed uit?
a)
bloedplasma, bloedcellen en bloedplaatjes
b)
bloedplasma, lymfevloeistof, witte bloedcellen
c)
bloedplasma, bloedcellen, mineralen
d)
zuurstof, koolstofdioxide, bloedplasma
8.
In de afbeelding hiernaast tref je een aantal verschillende bloeddeeltjes aan. Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 3
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedpaatjes
d)
Bloedplasma
9.
Met welke nummer wordt witte bloedcellen aangeven?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
10.
Witte bloedcellen hebben een celkern en kunnen van vorm veranderen
a)
Juist
b)
Onjuist
11.
Bij welke  aandoening heb je een bloedstolsel binnen een bloedvat, zoals bijvoorbeeld in je been?
a)
Hartinfarct
b)
Trombose
c)
Bloedarmoede
d)
aderverkalking
12.
Wat is etter of pus?
a)
Dode rode bloedcellen en kapotte bloedplaatjes
b)
Dode rode- en witte bloedcellen
c)
Dode witte bloedcellen en gedode bloedplaatjes
d)
Dode witte bloedcellen en gedode bacteriën
13.
Wat heeft een celkern?
a)
Rode bloedcel
b)
Witte bloedcel
c)
Bloedplaatje
14.
De cellen in deze afbeelding zijn voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
15.
Rode Bloedcellen hebben een celkern en vervoeren zuurstof
a)
Juist
b)
Onjuist
16.

Bij bloedarmoede heb je..

a)

een te kort aan witte bloedcellen

b)

een te kort aan bloedplaatjes

c)

een te kort aan rode bloedcellen met hemoglobine

d)

een te kort aan bloedplasma

17.
De cellen die aangewezen worden in deze afbeelding zijn voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
18.

Hoe worden de grote en de kleine bloedsomloop genoemd?

a)

algemene bloedsomloop

b)

menselijke bloedsomloop

c)

dubbele bloedsomloop

19.

De dubbele bloedsomloop gaat bij een omloop 2 keer door ......

a)

de longen

b)

het hart

c)

de organen

d)

de hersenen

20.

Waar gaat de kleine bloedsomloop naar toe?

a)

de hersenen

b)

alle organen

c)

de longen

d)

de darmen

21.

Waar gaat de grote bloedsomloop naar toe?

a)

alle organen van het lichaam

b)

de longen

c)

de hersenen

22.

Wat haalt de kleine bloedsomloop op?

a)

Koolstofdioxide ( CO2)

b)

zuurstof

c)

hemoglobine

d)

stikstof

23.

Wat brengt de grote bloedsomloop naar alle cellen in het lichaam?

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide (CO2)

c)

voedingstoffen

d)

afvalstoffen

24.

Welk bloedvat komt van het hart af?

a)

aders

b)

slagaders

c)

haarvaten

25.

Waar gaan de voedingsstoffen en zuurstof door de wand in het bloedvatenstelsel?

a)

bij de slagaders

b)

bij de aders

c)

bij de haarvaten

26.

Welke bloedvaten kunnen kleppen hebben?

a)

slagaders

b)

aders

c)

haarvaten

27.

Welk bloedvat heeft geen zuurstofrijk bloed?

a)

leverslagader

b)

longslagader

c)

nierslagader

d)

darmslagader

28.

Heeft de longader zuurstofrijk of zuurstofarm bloed?

a)

zuurstofrijk

b)

zuurstofarm