wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

OKAN ROOD - Instroom - Het alfabet

Total questions: 30

Worksheet time: 45mins

Name
Class
Date
1.

Het is een dier. Het heeft 4 poten. Het miauwt. Wat is het?

a)

Het is een paard.

b)

Het is een eend.

c)

Het is een vis.

d)

Het is een kat.

2.

Het is een stuk fruit. Het is geel. Het is ovaal. Het is zuur. Wat is het?

a)

Het is een banaan.

b)

Het is een citroen.

c)

Het is een taart.

d)

Het is yoghurt.

3.

Het is een soort papier. Je betaalt ermee. Wat is het?

a)

Het is geld.

b)

Het zijn x-stralen.

c)

Het is vier.

d)

Het is een boom.

4.

Het is wit. Het komt van een koe. Je drinkt het. Wat is het?

a)

Het is water.

b)

Het is yoghurt.

c)

Het is een citroen.

d)

Het is melk.

5.

Het is een dier. Het zwemt in het water. Wat is het?

a)

Het is een slang.

b)

Het is een vis.

c)

Het is een eend.

d)

het is een kat.

6.

Het heeft 2 wielen. Je kan ermee rijden. Wat is het?

a)

Het is een fiets.

b)

Het is een bus.

c)

Het is een maan.

d)

Het is een baby.

7.

Het is wit van kleur. Je ziet het vooral 's nachts. Wat is het?

a)

Het is een voetbal.

b)

Het is de maan.

c)

Het is een mug.

d)

Het is een lamp.

8.

Het is klein. Het heeft een hoofd, een romp, 2 armen en 2 benen. Wat is het?

a)

Het is een paard.

b)

Het is een kat.

c)

Het is een hand.

d)

Het is een baby.

9.

Je gebruikt het om een kus te geven. Wat is het?

a)

Het zijn je handen.

b)

Het is je mond.

c)

Het is geld.

d)

Het is een cactus.

10.

Je ligt erin om te slapen. Wat is het?

a)

Het is een quiz.

b)

Het is een muur.

c)

Het is een jas.

d)

Het is een bed.

11.

Het is groot en groen. Het heeft bladeren. Het groeit in het bos. Wat is het?

a)

Het is een roos.

b)

Het is een cactus.

c)

Het is een boom.

d)

Het is een kip.

12.

Het is een kledingsstuk. Je draagt het als het koud is of als het regent. Wat is het?

a)

Het is een das.

b)

Het is een jas.

c)

Het is een hemd.

d)

Het is een bed.

13.

Het is wit. Je eet het als ontbijt of als dessert. Wat is het?

a)

Het is yoghurt.

b)

Het is melk.

c)

Het is een banaan.

d)

Het is taart.

14.

Het ruikt lekker. Je gebruikt het om je te wassen.

a)

Het is water.

b)

Het is een baby.

c)

Het is een citroen.

d)

Het is zeep.

15.

Het is rond. Je kan er mee spelen. Wat is het?

a)

Het is een voetbal.

b)

Het is een fiets.

c)

Het zijn x-stralen.

d)

Het is de maan.

16.

Wat is dat?

a)

Dat is een feits.

b)

Dat is een fiest.

c)

Dat is een fiets.

d)

Dat is een fits.

17.

Wat is dat?

a)

Dat is een bus.

b)

Dat is een bos.

c)

Dat is een bous.

d)

Dat is een boes.

18.

Wat is dat?

a)

Dat is een gemd.

b)

Dat is een das.

c)

Dat is een hemd.

d)

Dat is een tas.

19.

Wat is dat?

a)

Dat is een mur.

b)

Dat is een moer.

c)

Dat is een muur.

d)

Dat is een muir.

20.

Wat is dat?

a)

Dat is een part.

b)

Dat is een paard.

c)

Dat is een baard.

d)

Dat is een kat.

21.

Wat is dat?

a)

Dat is een man.

b)

Dat is een maan.

c)

Dat is een naam.

d)

Dat is een quiz.

22.

Wat is dat?

a)

Dat is een jas.

b)

Dat is een hemd.

c)

Dat is een das.

d)

Dat is een daas.

23.

Wat is dat?

a)

Dat is een kaktos.

b)

Dat is een kaktus.

c)

Dat is een caketus.

d)

Dat is een cactus.

24.

Wat is dat?

a)

Dat is een arm.

b)

Dat is een hand.

c)

Dat is een hond.

d)

Dat is een gant.

25.

Wat is dat?

a)

Dat is een kep.

b)

Dat is een hond

c)

Dat is een eend.

d)

Dat is een kip.

26.

Wat is dat?

a)

Dat is een banana.

b)

Dat is een banaan.

c)

Dat is een banan.

d)

Dat is een banane.

27.

Wat is dat?

a)

Dat is een roos.

b)

Dat is een cactus.

c)

Dat is een boom.

d)

Dat is een bom.

28.

Wat is dat?

a)

Dat is een slank.

b)

Dat is een slang.

c)

Dat is een kat.

d)

Dat is een slak.

29.

Wat is dat?

a)

Dat is melk.

b)

Dat is joehoert.

c)

Dat is jouhourt.

d)

Dat is yoghurt.

30.

Wat is dat?

a)

Dat is een byby.

b)

Dat is een bebe.

c)

Dat is een baby.

d)

Dat is een bijbie.