Worksheetswerkwoordspelling
Total questions: 30
Worksheet time: 15mins
.............(uitbreiden) onderzoeken wezen uit dat de man volkomen gezond was.
uitgebreidde
uitgebreide
Kan iemand mij vertellen wat hier............(gebeuren)?
gebeurd
gebeurt
Wat is hier................(gebeuren)?
gebeurt
gebeurd
De juf heeft het mooie verhaal............(vertellen).
verteld
vertelt
De familie ................(boffen) vorige week maar met het mooie weer.
bofden
boften
bofde
bofte
Toen de storm was.............(uitrazen), konden de dijken hersteld worden.
uitgeraast
uitgeraasd
Je zus heeft haar vingers................(verbranden)
verbrand
verbrandt
verbrant
Je zus ............(branden) haar vingers aan de hete pan.
brand
brandt
Opa .................(betalen) de rekening.
betaald
betaalt
Opa heeft de rekening................(betalen)
betaalt
betaald
De gevangende wilde vorige week graag................(vluchten)
vluchtten
vluchten
Hij had vreselijk jeuk en heeft de hele nacht...............(krabben)
gekrabt
gekrabd
Nederland...............(behoren) tot de kleinere landen.
behoord
behoort
Vorig jaar..............(branden) tijdens de Sinterklaasviering honderden lampjes.
branden
brandden
brandde
De brand werd gelukkig .................(blussen).
geblusd
geblust
Niemand ................(geloven) mij vorige week.
geloofte
geloofde
geloofden
Vorig jaar................(ontbijten) wij altijd al om 6.30 uur.
ontbijtten
ontbeten
De ................(verzenden) brief kwam nooit aan.
verzonden
verzendde
verzende
Wie heeft de leugens ................(verspreiden)?
verspreidt
verspreid
Wie .......................(verspreiden) de leugens?
verspreidt
verspreid
De ...............(verspreiden) leugens.
verspreiden
verspreide
verspreidde
Mijn ouders hebben mij een nieuwe laptop...................(beloven)
belooft
beloofd
Hij heeft de slagroom.....................(kloppen).
geklopd
geklopt
Hij....................(raden) het antwoord.
raadde
rade
De supporters hebben flink.....................(juichen).
gejuicht
gejuichd
De leraar heeft het antwoord van het bord.................(wissen)
gewist
gewisd
De storm heeft over het land...................(razen).
geraasd
geraast
Vroeger ...............(lusten) ik geen spruitjes.
luste
lustte
Dit werk.................(leveren tt) hem aardig wat op.
levert
leverde
De jongen.................(lachen) het meisje uit.
lachtte
lachte
