Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

werkwoordspelling

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

.............(uitbreiden) onderzoeken wezen uit dat de man volkomen gezond was.

a)

uitgebreidde

b)

uitgebreide

2.

Kan iemand mij vertellen wat hier............(gebeuren)?

a)

gebeurd

b)

gebeurt

3.

Wat is hier................(gebeuren)?

a)

gebeurt

b)

gebeurd

4.

De juf heeft het mooie verhaal............(vertellen).

a)

verteld

b)

vertelt

5.

De familie ................(boffen) vorige week maar met het mooie weer.

a)

bofden

b)

boften

c)

bofde

d)

bofte

6.

Toen de storm was.............(uitrazen), konden de dijken hersteld worden.

a)

uitgeraast

b)

uitgeraasd

7.

Je zus heeft haar vingers................(verbranden)

a)

verbrand

b)

verbrandt

c)

verbrant

8.

Je zus ............(branden) haar vingers aan de hete pan.

a)

brand

b)

brandt

9.

Opa .................(betalen) de rekening.

a)

betaald

b)

betaalt

10.

Opa heeft de rekening................(betalen)

a)

betaalt

b)

betaald

11.

De gevangende wilde vorige week graag................(vluchten)

a)

vluchtten

b)

vluchten

12.

Hij had vreselijk jeuk en heeft de hele nacht...............(krabben)

a)

gekrabt

b)

gekrabd

13.

Nederland...............(behoren) tot de kleinere landen.

a)

behoord

b)

behoort

14.

Vorig jaar..............(branden) tijdens de Sinterklaasviering honderden lampjes.

a)

branden

b)

brandden

c)

brandde

15.

De brand werd gelukkig .................(blussen).

a)

geblusd

b)

geblust

16.

Niemand ................(geloven) mij vorige week.

a)

geloofte

b)

geloofde

c)

geloofden

17.

Vorig jaar................(ontbijten) wij altijd al om 6.30 uur.

a)

ontbijtten

b)

ontbeten

18.

De ................(verzenden) brief kwam nooit aan.

a)

verzonden

b)

verzendde

c)

verzende

19.

Wie heeft de leugens ................(verspreiden)?

a)

verspreidt

b)

verspreid

20.

Wie .......................(verspreiden) de leugens?

a)

verspreidt

b)

verspreid

21.

De ...............(verspreiden) leugens.

a)

verspreiden

b)

verspreide

c)

verspreidde

22.

Mijn ouders hebben mij een nieuwe laptop...................(beloven)

a)

belooft

b)

beloofd

23.

Hij heeft de slagroom.....................(kloppen).

a)

geklopd

b)

geklopt

24.

Hij....................(raden) het antwoord.

a)

raadde

b)

rade

25.

De supporters hebben flink.....................(juichen).

a)

gejuicht

b)

gejuichd

26.

De leraar heeft het antwoord van het bord.................(wissen)

a)

gewist

b)

gewisd

27.

De storm heeft over het land...................(razen).

a)

geraasd

b)

geraast

28.

Vroeger ...............(lusten) ik geen spruitjes.

a)

luste

b)

lustte

29.

Dit werk.................(leveren tt) hem aardig wat op.

a)

levert

b)

leverde

30.

De jongen.................(lachen) het meisje uit.

a)

lachtte

b)

lachte