wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

T2 | H9 Je lichaam werkt

Total questions: 67

Worksheet time: 34mins

Name
Class
Date
1.

De juiste volgorde van klein naar groot is...

a)

Cel --> Weefsel --> Orgaan --> Orgaanstelsel --> Organisme

b)

Organisme --> Orgaanstelsel --> Orgaan --> Weefsel --> Cel

c)

Cel --> Orgaan --> Weefsel --> Organisme --> Orgaanstelsel

d)

Weefsel --> Cel --> Orgaanstelsel --> Orgaan --> Organisme

2.

Een groep cellen met dezelfde vorm en functie is een...

a)

Cel

b)

Weefsel

c)

Orgaan

d)

Orgaanstelsel

3.

Een orgaan is een...

a)

deel van het lichaam met een bepaalde taak

b)

Groep cellen met dezelfde vorm en functie

c)

Groep organen die samenwerken aan een grotere taak

4.

Welk orgaan wordt aangewezen met nummer 1?

a)

Luchtpijp

b)

Slokdarm

c)

Longen

d)

Middenrif

5.

Welk orgaan wordt aangewezen met nummer 8?

a)

Luchtpijp

b)

Slokdarm

c)

Longen

d)

Middenrif

6.

Welk orgaan wordt aangewezen met nummer 10?

a)

Maag

b)

Nieren

c)

Blaas

d)

Lever

7.

Welk orgaan wordt aangewezen met nummer 4?

a)

Maag

b)

Nieren

c)

Blaas

d)

Lever

8.

Welk orgaan wordt aangewezen met nummer 6?

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Twaalfvingerige darm

d)

Maag

9.

Welk orgaanstelsel zien we hier?

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Zenuwstelsel

c)

Spierstelsel

d)

Verteringsstelsel

e)

Ademhalingsstelsel

10.

Om te kunnen bewegen hebben onze spieren brandstoffen nodig. Welke orgaanstelsels werken samen om je spieren van brandstoffen te voorzien? Tik de stelsels aan.

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Ademhalingsstelsel

c)

Verteringsstelsel

d)

Zenuwstelsel

11.

Welk orgaanstelsel zien we hier?

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Zenuwstelsel

c)

Spierstelsel

d)

Verteringsstelsel

e)

Ademhalingsstelsel

12.

Welk orgaanstelsel zien we hier?

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Zenuwstelsel

c)

Spierstelsel

d)

Verteringsstelsel

e)

Ademhalingsstelsel

13.

Welk orgaanstelsel zien we hier?

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Zenuwstelsel

c)

Spierstelsel

d)

Verteringsstelsel

e)

Ademhalingsstelsel

14.

Welk orgaanstelsel zien we hier?

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Zenuwstelsel

c)

Spierstelsel

d)

Verteringsstelsel

e)

Ademhalingsstelsel

15.

Op de afbeelding is de reactievergelijking van verbranding in het lichaam te zien. Hij is niet af, welke stof moet op plek 1 staan?

a)

Glucose

b)

Suiker

c)

Koolstofdioxide

d)

Voedingsstof

16.

Op de afbeelding is de reactievergelijking van verbranding in het lichaam te zien. Hij is niet af, welke stof moet op plek 2 staan?

a)

Glucose

b)

Koolhydraat

c)

Koolstofdioxide

d)

Zuurstof

17.

Welke stoffen heb je nodig om verbranding in je lichaam plaats te laten vinden? Tik de stoffen aan

a)

Glucose

b)

Zuurstof

c)

Water

d)

Koolstofdioxide

18.

Koolstofdioxide is een afvalstof van de verbranding. Hoe kun je deze afvalstof uitscheiden? Tik de juiste antwoorden aan

a)

Uitademen

b)

Uitplassen

c)

Uitzweten

d)

Uitpoepen

19.

Water is een afvalstof van de verbranding. Hoe kun je deze afvalstof uitscheiden? Tik de juiste antwoorden aan

a)

Uitademen

b)

Uitplassen

c)

Uitzweten

d)

Uitpoepen

20.

Bij het slikreflex worden de luchtpijp en neusholte afgesloten zodat hier geen voedsel in komt. Welk onderdeel sluit de luchtpijp af?

a)

Strotklepje

b)

Huig

c)

Stembanden

d)

Tong

21.

Bij het slikreflex worden de luchtpijp en neusholte afgesloten zodat hier geen voedsel in komt. Welk onderdeel sluit de neusholte af?

a)

Strotklepje

b)

Huig

c)

Stembanden

d)

Tong

22.

Wanneer je eet gaat de doorgeslikte voedselbrij via je ... naar je maag. Welk orgaan moet op de puntjes?

a)

Slokdarm

b)

Luchtpijp

c)

Darmen

d)

Lever

23.

Peristaltische bewegingen zijn...

a)

de beweging van je darmen waarmee een voedselbrij wordt voortgeduwd

b)

bewegingen die ervoor zorgen dat je buikpijn krijgt

c)

een gek dansje

24.

Welke beschrijving hoort bij het begrip?


Vertering is...

a)

het met verteringssappen kleiner maken van voedingsstoffen

b)

eten en daarna moeten poepen

c)

de bewegingen die je darmen maken om de voedselbrij voort te duwen

25.

Welke voedingsstoffen kunnen meteen in je bloed opgenomen worden? Tik ze allemaal aan.

a)

Water

b)

Vitaminen

c)

Mineralen

d)

Koolhydraten

e)

Vetten

26.

Op welke plek in je lichaam wordt speeksel gemaakt?

a)

Mond

b)

Maag

c)

Twaalfvingerige darm

d)

Dunne darm

27.

Gal is een verteringssap

a)

Waar

b)

Niet waar

28.

Gal wordt gemaakt door de lever

a)

Waar

b)

Niet waar

29.

Welke voedingsstof(fen) worden verteert door alvleessap? Tik ze aan

a)

Koolhydraten

b)

Vetten

c)

Eiwitten

30.

Welke voedingsstof(fen) worden verteert door maagsap? Tik ze aan

a)

Koolhydraten

b)

Vetten

c)

Eiwitten

31.

Zetmeel is een koolhydraat

a)

Waar

b)

Niet waar

32.

In de dunne darm worden de verteerde voedingsstoffen opgenomen in het bloed

a)

Waar

b)

Niet waar

33.

Voedingsvezels kunnen door ons lichaam verteert worden

a)

Waar

b)

Niet waar

34.

Je dikke darm neemt water op uit de voedselbrij

a)

waar

b)

niet waar

35.

De plooien in je dunne darm bevatten veel bloedvaatjes om voedingsstoffen snel op te nemen

a)

Waar

b)

Niet waar

36.

We kunnen op twee verschillende manieren ademhalen, welke manieren zijn dit? Tik de juiste antwoorden aan.

a)

Borst ademhaling

b)

Buik ademhaling

c)

Long ademhaling

d)

Zuurstof ademhaling

e)

Koolstofdioxide ademhaling

37.

Wanneer je inademt zijn je ribspieren...

a)

Aangespannen: De borstkast wordt breder

b)

Ontspannen: De ribben zakken omlaag

38.

Wanneer je uitademt zijn je ribspieren...

a)

Aangespannen: De borstkast wordt breder

b)

Ontspannen: De ribben zakken omlaag

39.

Wanneer je uitademt is je middenrif...

a)

Aangespannen: Het middenrif trekt plat

b)

Ontspannen: Het middenrif wordt boller

40.

Wanneer je inademt is je middenrif...

a)

Aangespannen: Het middenrif trekt plat

b)

Ontspannen: Het middenrif wordt boller

41.

De uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide noemen we...

a)

Gaswisseling

b)

Ademhaling

c)

Verbranding

d)

Uitscheiding

42.

Welk onderdeel van de longen is er op dit plaatje te zien?

a)

Longblaasjes

b)

Bronchiën

c)

Kraakbeenringen

d)

Slijmcellen

43.

Op bovenstaande afbeelding is een longblaasje schematisch weergeven. De groene en de gele pijl geven de uitwisseling van stoffen tussen het longblaasje en het bloed aan.


Welke stof moet er bij de groene pijl staan?

a)

Koolstofdioxide

b)

Zuurstof

c)

Stikstof

d)

Glucose

44.

Op bovenstaande afbeelding is een longblaasje schematisch weergeven. De groene en de gele pijl geven de uitwisseling van stoffen tussen het longblaasje en het bloed aan.


Welke stof moet er bij de gele pijl staan?

a)

Koolstofdioxide

b)

Zuurstof

c)

Stikstof

d)

Glucose

45.

Door je neus ademen is gezonder dan door je mond ademen. Waarom? Tik de juiste antwoorden aan.

a)

Als je door je neus ademt wordt de lucht warmer

b)

Als je door je neus ademt kun je gevaarlijke luchtjes zoals brandlucht waarnemen

c)

Ziekteverwekkers blijven aan de slijmcellen in je neusholte plakken

d)

De haartjes in je neus houden stofdeeltjes tegen

e)

Via je neus adem je meer zuurstof in

46.

Op bovenstaande afbeelding zijn de onderdelen van de longen weergeven.


Welk onderdeel wordt aangegeven door nummer 1?

a)

Luchtpijp

b)

Bronchiën

c)

Luchtpijptakjes

d)

Longblaasjes

47.

Op bovenstaande afbeelding zijn de onderdelen van de longen weergeven.


Welk onderdeel wordt aangegeven door nummer 2?

a)

Luchtpijp

b)

Bronchiën

c)

Luchtpijptakjes

d)

Longblaasjes

48.

Op bovenstaande afbeelding zijn de onderdelen van de longen weergeven.


Welk onderdeel wordt aangegeven door nummer 4?

a)

Luchtpijp

b)

Bronchiën

c)

Luchtpijptakjes

d)

Longblaasjes

49.

Bloedplasma is het waterige deel van het bloed dat stoffen kan vervoeren. Welke stoffen kun je in het bloedplasma vinden? Tik de juiste antwoorden aan

a)

Hormonen

b)

Glucose

c)

Vitaminen

d)

Water

50.

Welke stof maakt rode bloedcellen rood?

a)

Hemoglobine

b)

Glucose

c)

Zuurstof

d)

Koolstofdioxide

51.

Welke stof brengen rode bloedcellen vanuit de longblaasjes naar de organen toe?

a)

Zuurstof

b)

Koolstofdioxide

52.

Welke stof voeren de rode bloedcellen van de organen af?

a)

Zuurstof

b)

Koolstofdioxide

53.

Deze bloedvaten lopen van het hart naar de organen. Ze hebben een dikke gespierde wand.

a)

Slagader

b)

Haarvaten

c)

Ader

54.

Deze bloedvaten zijn de kleinste vertakkingen van je bloedvaten. Ze zitten in en om al je organen en hebben een dunne wand waarmee ze snel stoffen kunnen uitwisselen.

a)

Slagader

b)

Haarvaten

c)

Ader

55.

Deze bloedvaten lopen van je organen af terug naar je hart. Ze hebben kleppen en het bloed stroomt langzaam.

a)

Slagader

b)

Haarvaten

c)

Ader

56.

Zuurstofrijk bloed bloed bevat veel...

a)

Zuurstof

b)

Koolstofdioxide

57.

Zuurstofarm bloed bevat veel...

a)

Zuurstof

b)

Koolstofdioxide

58.

De kleine bloedsomloop gaat als volgt...

a)

Hart --> longen --> hart

b)

Hart --> hoofd --> hart

c)

Hart --> Alle organen in het lichaam --> Hart

d)

Hart --> bloedvatenstelsel --> hart

59.

De grote bloedsomloop gaat als volgt...

a)

Hart --> longen --> hart

b)

Hart --> hoofd --> hart

c)

Hart --> Alle organen in het lichaam --> Hart

d)

Hart --> bloedvatenstelsel --> hart

60.

Een bloedvat loopt van het hart naar de longen toe. Het bloed is zuurstofarm. Wat zou de naam van dit bloedvat zijn?

a)

Longslagader

b)

Longader

c)

Haarvaten

d)

Hartader

e)

Holle ader

61.

Een bloedvat met zuurstofrijk bloed stroomt naar de nieren toe. Wat zou de naam van dit bloedvat zijn?

a)

Nierslagader

b)

Nierader

c)

Haarvaten

d)

Aorta

62.

Een bloedvat met zuurstofarm bloed stroomt van de lever af. Wat zou de naam van dit bloedvat zijn?

a)

Leverader

b)

Leverslagader

c)

Poortader

d)

Haarvaten

63.

Bij de 3de fase van het hart staan bepaalde kleppen open om het bloed door te laten. Welke kleppen zijn dit?

a)

Slagaderkleppen

b)

Hartkleppen

64.

In welk deel van het torso liggen de ademhalingsorganen?

a)

Borstholte

b)

Buikholte

65.

Welk onderdeel wordt aangegeven met 7?

a)

Aorta

b)

Holle ader

c)

Longslagader

d)

Longader

66.

Welk onderdeel wordt aangegeven met 1?

a)

Rechter boezem

b)

Rechter kamer

c)

Linker boezem

d)

Linker kamer

67.

Welk onderdeel wordt aangegeven met 5?

a)

Rechter boezem

b)

Rechter kamer

c)

Linker boezem

d)

Linker kamer