wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

T3 | H3 Organismen leven samen | 3.1 + 3.2 + 3.3

Total questions: 50

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Een gebied gevormd door de invloeden van zowel de levende als levenloze natuur. Bijvoorbeeld een woestijn, een bos, of een tuin.

a)

Ecosysteem

b)

Abiotische factoren

c)

Biotische factoren

d)

Organismen

2.

Levende invloeden vanuit de natuur op een organisme

a)

Ecosysteem

b)

Abiotische factoren

c)

Biotische factoren

d)

Organismen

3.

Levenloze invloeden vanuit de natuur op een organisme

a)

Ecosysteem

b)

Abiotische factoren

c)

Biotische factoren

d)

Organismen

4.

Tik alle biotische factoren aan

a)

Ziekteverwekkers

b)

Soortgenoten

c)

Bodem

d)

Voortplanting

e)

Schuilplaats

5.

Tik alle abiotische factoren aan

a)

Water

b)

Bodem

c)

Ziekteverwekkers

d)

Voedsel

e)

Temperatuur

6.

Deze planten groeien op de bodem van donkere bossen voordat er bladeren aan de bomen komen.

a)

Voorjaarsbloeiers

b)

Klimplanten

c)

Wortelrozetten

d)

Woestijnplanten

7.

Deze planten leven in bossen en hebben klimwortels om aan voldoende licht te komen.

a)

Voorjaarsbloeiers

b)

Klimplanten

c)

Wortelrozetten

d)

Woestijnplanten

8.

Deze planten hebben bladeren die plat op de grond liggen zodat ze de omgroeiende grassen weg houden en meer mineralen en water voor zichzelf hebben.

a)

Voorjaarsbloeiers

b)

Klimplanten

c)

Wortelrozetten

d)

Woestijnplanten

9.

Deze planten hebben hele kleine bladeren en soms een waslaagje om waterverlies tegen te gaan

a)

Voorjaarsbloeiers

b)

Klimplanten

c)

Wortelrozetten

d)

Woestijnplanten

10.

Dit dier leeft waarschijnlijk in...

a)

een warm gebied

b)

een koud gebied

11.

Dit dier leeft waarschijnlijk in...

a)

een warm gebied

b)

een koud gebied

12.

Grote oren hebben in een warm klimaat helpt dieren af te koelen door...

a)

doordat wanneer er koele lucht langs de oren komt deze warmte uit de bloedvaten wegneemt

b)

doordat dieren alleen uit hun oren en tong kunnen zweten, met grote oren kan een dier meer zweten om af te koelen

c)

doordat de grote oren zorgen voor extra schaduw op het hoofd van het dier

d)

doordat het dier hiermee zichzelf koel kan wapperen

13.

Het dier waarvan dit gebit afkomstig is, is waarschijnlijk een...

a)

planteneter

b)

vleeseter

14.

Het dier waarvan dit gebit afkomstig is, is waarschijnlijk een...

a)

planteneter

b)

vleeseter

15.

Deze vogel heeft een...

a)

Haaksnavel

b)

Pincetsnavel

c)

Zeefsnavel

d)

Kegelsnavel

16.

Deze vogel heeft een...

a)

Haaksnavel

b)

Pincetsnavel

c)

Zeefsnavel

d)

Kegelsnavel

17.

Deze vogel heeft een...

a)

Haaksnavel

b)

Pincetsnavel

c)

Zeefsnavel

d)

Kegelsnavel

18.

Deze vogel heeft een...

a)

Haaksnavel

b)

Pincetsnavel

c)

Zeefsnavel

d)

Kegelsnavel

19.

Deze vogel heeft...

a)

Grijppoten

b)

Zwempoten

c)

Steltpoten

d)

Klimpoten

20.

Deze vogel heeft...

a)

Grijppoten

b)

Zwempoten

c)

Steltpoten

d)

Klimpoten

21.

Deze vogel heeft...

a)

Grijppoten

b)

Zwempoten

c)

Steltpoten

d)

Klimpoten

22.

Deze vogel heeft...

a)

Grijppoten

b)

Zwempoten

c)

Steltpoten

d)

Klimpoten

23.

De functie van een bloem is...

a)

Voorplanting door het vormen van vruchten waaruit zaden ontstaan

b)

Stevigheid en het opnemen van water met mineralen

c)

Stevigheid en transport van stoffen

d)

Aanmaken van voedingsstoffen zoals glucose door fotosynthese

24.

De functie van een stengel is...

a)

Voorplanting door het vormen van vruchten waaruit zaden ontstaan

b)

Stevigheid en het opnemen van water met mineralen

c)

Stevigheid en transport van stoffen

d)

Aanmaken van voedingsstoffen zoals glucose door fotosynthese

25.

De functie van een blad is...

a)

Voorplanting door het vormen van vruchten waaruit zaden ontstaan

b)

Stevigheid en het opnemen van water met mineralen

c)

Stevigheid en transport van stoffen

d)

Aanmaken van voedingsstoffen zoals glucose door fotosynthese

26.

De functie van de wortels is...

a)

Voorplanting door het vormen van vruchten waaruit zaden ontstaan

b)

Stevigheid en het opnemen van water met mineralen

c)

Stevigheid en transport van stoffen

d)

Aanmaken van voedingsstoffen zoals glucose door fotosynthese

27.

Deze vogel eet waarschijnlijk...

a)

Vlees van prooidieren

b)

Insecten

c)

Zaden en noten

d)

Kleine plantjes en diertjes uit het water

28.

Deze vogel eet waarschijnlijk...

a)

Vlees van prooidieren

b)

Insecten

c)

Zaden en noten

d)

Kleine plantjes en diertjes uit het water

29.

Deze vogel eet waarschijnlijk...

a)

Vlees van prooidieren

b)

Insecten

c)

Zaden en noten

d)

Kleine plantjes en diertjes uit het water

30.

Deze vogel eet waarschijnlijk...

a)

Vlees van prooidieren

b)

Insecten

c)

Zaden en noten

d)

Kleine plantjes en diertjes uit het water

31.

Door welke letter wordt een vaatbundel aangegeven?

a)

P

b)

Q

c)

R

32.

Door welke letter wordt een huidmondje aangegeven?

a)

P

b)

Q

c)

R

33.

Met welk onderdeel kan fotosynthese gedaan worden?

a)

P

b)

Q

c)

R

34.

Dit onderdeel heeft een vettig waslaagje om verdamping tegen te gaan

a)

Huidmondjes

b)

Bladmoes

c)

Opperhuid

d)

Nerven

35.

Tik alle functies van de huidmondjes aan

a)

Koolstofdioxide opnemen en uitstoten

b)

Zuurstof opnemen en uitstoten

c)

Water laten verdampen bij overschot

d)

Water opnemen

e)

Fotosynthese

36.

Als dit onderdeel beschadigd raakt kan een plant geen water en mineralen meer opnemen.

a)

Wortelharen

b)

Wortels

c)

Huidmondjes

d)

Stengel

37.

Het is nacht, de plant is bezig met verbranding en kan geen fotosynthese doen. Staan de huidmondjes open of dicht?

a)

open

b)

dicht

38.

Deze vaten vervoeren glucose en andere voedingsstoffen vanaf de bladeren naar beneden naar de rest van de plant

a)

bastvaten

b)

houtvaten

39.

Wanneer bladluizen aan de buitenkant van een stengel zitten, drinken ze uit deze vaten

a)

bastvaten

b)

houtvaten

40.

Door de zuiging van verdamping in de bladeren wordt er in deze vaten water met mineralen vanuit de wortels omhoog vervoert

a)

bastvaten

b)

houtvaten

41.

De verbranding kan schematisch worden weergeven.


...1... + zuurstof ---> Energie + ...2... + water


Welke stof moet er op plek 1?

a)

Zuurstof

b)

Glucose

c)

Koolstofdioxide

d)

Koolstofmonoxide

42.

De verbranding kan schematisch worden weergeven.


...1... + zuurstof ---> Energie + ...2... + water


Welke stof moet er op plek 2?

a)

Zuurstof

b)

Glucose

c)

Koolstofdioxide

d)

Koolstofmonoxide

43.

Gegeven is het schema:


Licht + koolstofdioxide + water --> glucose + zuurstof


is dit fotosynthese of verbranding?

a)

Fotosynthese

b)

Verbranding

44.

Een plant maakt meer glucose dan hij kan gebruiken voor verbranding. Tik alle stoffen aan die een plant van glucose + mineralen kan maken voor reserves, bouwstoffen en beschermende stoffen.

a)

Zetmeel

b)

Eiwitten

c)

Cellulose

d)

Mineralen

e)

Insuline

45.

Een verdikte wortel waarin reservevoedsel wordt opgeslagen zoals een aardappel

a)

Bol

b)

Knol

46.

Een verdikte korte stengel met dikke bladeren (rokken) waarin voedingsstoffen zijn opgeslagen zoals bij een ui

a)

Bol

b)

Knol

47.

De functie van kleurkorrels is...

a)

kleur geven aan de plant (rood, oranje, geel...)

b)

reservestof opslaan

c)

Fotosynthese

48.

De functie van zetmeelkorrels is...

a)

kleur geven aan de plant (rood, oranje, geel...)

b)

reservestof opslaan

c)

Fotosynthese

49.

Welk onderdeel van de plant eet je als je bloemkool eet?

a)

Blad

b)

Stengel

c)

Wortel

d)

Bloem

e)

Vrucht

50.

Welk onderdeel van de plant eet je als je rabarber eet?

a)

Blad

b)

Stengel

c)

Wortel

d)

Bloem

e)

Vrucht