wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets hoofdstuk 1

Total questions: 17

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Is een kat levend, dood of levenloos

a)

Dood

b)

Levend

c)

Levenloos

2.

Water in een rivier is

a)

Dood

b)

Levend

c)

Levenloos

3.

Een rijdende auto is

a)

Dood

b)

Levend

c)

Levenloos

4.

Een omgevallen boom is

a)

Dood

b)

Levend

c)

Levenloos

5.

Welk levenskenmerk wordt op het plaatje vertoond?

a)

Waarnemen

b)

Voeden

c)

Uitscheiden

d)

Bewegen

e)

Ademhalen

6.

Wat zijn de manieren van waarnemen?

a)

Horen, zien en ruiken

b)

Zien, ruiken, voelen

c)

Proeven, zien, ruiken, voelen

d)

Horen, zien, ruiken, proeven, voelen

7.

Wat voor soort doorsnede is hier te zien?

a)

Lengtedoorsnede

b)

Dwarsdoorsnede

8.

Wat voor soort tekening is dit?

a)

Natuurgetrouw van een buitenaanzicht

b)

Natuurgetrouw van een doorsnede

c)

Schematisch van een buitenaanzicht

d)

Schematisch van een doorsnede

9.

Ik eet 10 frikadellen, waardoor ik aankom.

a)

Groei

b)

Ontwikkeling

10.

Er ontstaat een bloem op een plant.

a)

Groei

b)

Ontwikkeling

11.

Welke stelling geeft het verschil tussen groei en ontwikkeling het beste weer.

a)

Ontwikkeling: het groter en zwaarder worden van een organisme.

Groei: veranderingen in de bouw van een organisme.

b)

Ontwikkeling: het opgroeien van een kind, groter worden.

Groei: het krijgen van borsten bij een vrouw.

c)

Groei: het groter en zwaarder worden van een organisme.

Ontwikkeling: veranderingen in de bouw van een organisme.

12.

Tussen 10 en 14 jaar zijn over het algemeen ...

a)

jongens groter

b)

meisjes groter

13.

Een groeispurt ...

a)

is een periode van snelle groei

b)

begint bij veel kinderen rond hun 12e levensjaar

c)

hebben veel kinderen rond hun 6e levensjaar

14.

Een organisme ...

a)

Kan een plant zijn

b)

Is een levend wezen

c)

Kan een dier zijn

15.

Sport (bewegen) heeft met biologie te maken

a)

Waar

b)

Niet waar

16.

Er is een griepuitbraak. Dit heeft met biologie te maken.

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

Het beroep van een manager heeft met biologie te maken.

a)

Waar

b)

Niet waar