wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hst 1 en 2 kennisquiz: Nieuw Nederlands 2BK

Total questions: 39

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Elke tekst gaat ergens over. Dat noem je

a)

alinea

b)

onderwerp

c)

tussenkopje

2.

Een goede tekst bestaat uit een: inleiding, middenstuk en slot.

a)

juist

b)

onjuist

3.

Deelonderwerpen staan meestal in

a)

de inleiding

b)

het middenstuk

c)

het slot

4.

In het slot wordt vaak

a)

een nieuw onderwerp besproken

b)

het belangrijkste uit de tekst nog eens herhaald

c)

een conclusie gegeven

5.

Wat is een synoniem?

a)

Een woord met ongeveer dezelfde betekenis

b)

Een tegenstelling

c)

Een werkwoord

6.

Wat is een synoniem van circa?

a)

rondje

b)

ongeveer

c)

een beetje

7.

Wat is een synoniem van echter?

a)

ook

b)

terwijl

c)

en

d)

maar

8.

Wat is een synoniem voor verrichten?

a)

ver gooien

b)

plassen

c)

doen

d)

tekenen

9.

Wat is een tegenstelling van uitreiken?

a)

geven

b)

pakken

c)

maken

d)

gooien

10.

De persoonsvorm is altijd een

a)

persoon

b)

werkwoord

c)

vraag

11.

Om de persoonsvorm te vinden maak je

a)

een vraagzin en dan pak je het eerste woord

b)

een vraagzin en dan pak je het eerste werkwoord

12.

Woorden als: hoe laat, wanneer, waarom kunnen geen persoonsvorm zijn.

a)

juist

b)

onjuist

13.

Het onderwerp vind je door de volgende vraag te stellen:

a)

Waarom+ persoonsvorm

b)

Hoe+ persoonsvorm

c)

Wie/ wat + persoonsvorm

14.

Vul in de tt: Hoeveel avonturen (beleven) een mens in zijn leven?

a)

beleefd

b)

beleeft

c)

beleevt

d)

belevt

15.

Noteer in de tt: Hoeveel avonturen heb jij (beleven)?

a)

beleeft

b)

beleefd

c)

beleevt

d)

beleevd

16.

Noteer in de tt: Hub (braden) het vlees vandaag.

a)

braad

b)

braadt

c)

bradt

d)

braat

17.

Noteer in de tt: (beantwoorden) jij deze vraag?

a)

Beantwoord

b)

beantwoord

c)

Beantwoordt

d)

Beantwoort

18.

Vul in: Er zijn mensen die altijd pijn l...den. Die mensen l...den vaak geen leuk leven.

a)

lijden en leiden

b)

leiden en lijden

19.

Een tekst bestaat uit hoofdzaken en bijzaken. Bijzaken zijn

a)

heel belangrijk

b)

niet zo belangrijk

20.

In de kernzin staat de belangrijkste informatie van

a)

de tekst

b)

een alinea

21.

Wat betekent: reguliere?

a)

ongewone

b)

gewone

22.

Wat betekent: in principe?

a)

verschillende

b)

als er niet tussenkomt

c)

gewone

23.

Wat betekent: toeslaan?

a)

plotseling opkomen

b)

dicht gaan

c)

met geld steunen

24.

Een voorvoegsel heeft een eigen betekenis.

a)

juist

b)

onjuist

25.

Wat zijn voorvoegsels?

a)

ex, min, on, her

b)

ex, mis, wan, non

c)

inter, ex, in, op

26.

Wat betekent: wantrouwen?

a)

iemand vertrouwen

b)

niet trouwen met iemand

c)

iemand niet vertrouwen

d)

verdrietig zijn om iets

27.

Wat doe je als je op non-actief staat?

a)

Naar het klooster gaan

b)

Heel hard werken

c)

(Een tijdje) niet meer werken

d)

Een verhaal verzinnen

28.

Wat is een streefcijfer?

a)

Het hoogste cijfer

b)

Het cijfer dat je graag wilt halen

29.

Welke van de onderstaande zinnen is een samengestelde zin?

a)

Mieke is vandaag jarig. Ze verwacht veel bezoek.

b)

Mieke is vandaag jarig en ze verwacht veel bezoek.

30.

Noteer de vt: In de vakantie (blijven) alle post in de brievenbus liggen.

a)

blijft

b)

bleven

c)

bleef

d)

blijvde

31.

Noteer in de vt: Ik (verbranden) mijn hand aan het strijkijzer.

a)

verbrand

b)

verbrande

c)

verbrandde

d)

verbrandden

32.

Noteer de vt: Mijn broers (pesten) mij altijd vroeger.

a)

pesten

b)

pestten

c)

pesden

d)

pestden

33.

Noteer de vt: Tijdens het wandelen (zweten) hij heel erg.

a)

zweete

b)

zwete

c)

zweette

d)

zweetten

34.

Noteer het voltooid deelwoord: Ik heb (verven).

a)

geverft

b)

geverfd

c)

gevervd

d)

gevervt

35.

Noteer de vt: De kinderen (knippen) het blaadje uit.

a)

knippen

b)

knipden

c)

knipten

d)

kniptten

36.

Goed of fout: sympathiek

a)

goed

b)

fout

37.

Goed of fout: themperatuur

a)

goed

b)

fout

38.

Goed of fout: jufrouw

a)

goed

b)

fout

39.

Goed of fout: wenkbrauwen

a)

goed

b)

fout