wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

M4 Signalwörter

Total questions: 27

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Mittlerweile hat sie ihre Prüfung geschafft.

a)

Inmiddels heeft ze haar examen gehaald.

b)

Door middel van een examen heeft ze het gehaald.

c)

Door middel een examen te redden heeft ze voortgang geboekt.

2.

Alle waren da, außer Paul.

a)

Iedereen was er behalve Paul.

b)

Iedereen was er , bovendien Paul.

c)

Iedereen was er, ook Paul.

3.

Die Antwort muss richtig sein, weil alle sie haben.

a)

Het antwoord moet goed zijn omdat iedereen het heeft

b)

Het antwoord moet goed zijn want iedereen heeft het.

c)

Het antwoord moet goed zijn vanwege dat iedereen het heeft.

4.

Peter traut bald niemand mehr.

a)

Peter trouwt niet snel meer.

b)

Peter vertrouwt snel niemand meer.

c)

Peter vertrouwt iedereen meer.

5.

Diese Schlussfolgerung ist weit wichtiger.

a)

Deze conclusie is veel belangrijker.

b)

Deze slotcessie is veel erger.

c)

Deze conclusie is verderop van belang.

6.

Das macht Petra schon seit drei Jahren.

a)

Dat doet Petra al sinds drie jaar.

b)

Dat deed Petra al drie jaar geleden.

c)

dat doet Petra vooral drie jaar.

7.

Ich nehme entweder Pudding oder Eis.

a)

Ik neem of pudding of ijs.

b)

Ik neem nog een pudding en dan ijs.

c)

Ik neem geen pudding wel ijs.

8.

Meine Eltern sind gerade umgezogen.

a)

Mijn ouders zijn net verhuisd.

b)

Mijn ouders gaan net zich aankleden.

c)

Mijn ouders trokken aan het kortste eind.

9.

Sie trat auf, obwohl schwer erkältet.

a)

Ze trad op met een zware verkoudheid.

b)

Ze trad op, hoewel zwaar verkouden.

c)

Ze trad op oftewel zwaar verouderd.

10.

Insgesamt ist das zu teuer.

a)

In z'n geheel is dat te duur.

b)

Op z'n minst is dat te duur.

c)

Vooral dat is te duur.

11.

Jedenfalls sollte man darüber nachdenken.

a)

In ieder geval zou je daarover na moeten denken.

b)

Iedereen zou daarover na te denken.

c)

In geval van nood zou je daarover na moeten denken.

12.

So etwas passiert manchmal.

a)

Zo iets gebeurt menig maal.

b)

Zo iets gebeurt vaak.

c)

Zo iets gebeurt soms.

13.

Es führt zu einer einzigen Schlussfolgerung.

a)

Het leidt tot maar één conclusie.

b)

Het lijdt tot geen één conclusie.

c)

Het leidt tot een mooi slot.

14.

Das Examen schafft man nicht, ohne zu lernen,

a)

Het examen red je niet zonder te leren.

b)

Het examen red je met veel leren.

c)

Het examen red je niet met extra leren.

15.

Ich komme nicht heute, sondern morgen.

a)

Ik kom niet vandaag en ook niet morgen.

b)

Ik kom niet vandaag maar morgen.

c)

Er is geen vandaag zonder morgen.

16.

Ich mache es trotz der Inflation.

a)

Ik doe het ondanks de inflatie.

b)

Ik doe het omdat ik trots ben op inflatie.

c)

Ik doe het omdat er inflatie is.

17.

Teilweise stimmt das.

a)

Voor een deel klopt dat.

b)

gedeeltelijk kun je stemmen.

c)

Op dit deel kun je stemmen.

18.

Der Junge wirkt sympathisch.

a)

De jongen werkt bij een sympathiek iemand.

b)

De jongen klinkt sympathiek.

c)

De jongen heeft een sympathieke uitstraling.

19.

Ich habe darauf verzichtet.

a)

ik heb er vanaf gezien.

b)

Ik heb daarop gereageerd.

c)

Ik heb me erop gericht.

20.

Du hast nichts getan, denn alles ist noch dreckig.

a)

Je hebt niet gedaan want alles is nog vies.

b)

Je hebt niets gedaan omdat alles nog vies is.

c)

Je hebt niets gezien het feit daat het smerig is.]

21.

Es ist verboten, aber ich mache es trotzdem.

a)

Het is verboden maar ik doe het maar.

b)

Het is verboden maar ik doe het ondanks mijn trots.

c)

Het is verboden maar ik doe het toch.

22.

Was beschreibt der erste Absatz?

a)

Wat betekent de eerste alinea?

b)

Wat beschrijft de eerste alinea?

c)

Wat beschrijft de eerste zin?

23.

Welche Behauptung stimmt mit der Einleitung überein?

a)

Welke vraag klopt met de inleiding?

b)

Welke bewering klopt met de inleiding?

c)

Welke uitspraak klopt met de inleiding?

24.

Was geht aus dem ersten Absatz hervor?

a)

Wat blijkt uit de eerste zin?

b)

Wat gaat er in de eerste alinea gebeuren?

c)

wat blijkt uit de eerste alinea?

25.

Welche Überschrift passt zum 2. Absatz?

a)

Welk kopje past bij de 2e alinea?

b)

Welk plaatje past bij de eerste alinea?

c)

Welk kopje past bij de 2e zin?

26.

Welchen Standpunkt vertritt......

a)

Welke mening heeft...?

b)

Welke invalshoek verdedigt .........?

c)

Welk mening geeft de voorkeur.....?

27.

Worauf bezieht sich diese Aussage?

a)

Waarop heeft deze uitspraak betrekking?

b)

Waarop baseert zich deze uitspraak?

c)

Waarop geeft de auteur zijn mening?