Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammatica en spelling hst 1,2 en 3 3BK

Total questions: 32

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Een citaat begint met een...

a)

Hoofdletter

b)

Vraagteken

c)

Uitroepteken

d)

Kleine letter

2.

Waar of niet waar? In een samengestelde zin staat maar 1 persoonsvorm.

a)

Waar

b)

Niet waar

3.

Welke zin is goed geschreven?

a)

Mijn moeder zei dat ze chips zou kopen maar, ze heeft koekjes gekocht.

b)

Mijn moeder zei dat ze chips zou kopen maar ze heeft koekjes gekocht.

c)

mijn moeder zei dat ze chips zou kopen, maar ze heeft koekjes gekocht.

d)

Mijn moeder zei dat ze chips zou kopen, maar ze heeft koekjes gekocht.

4.

Welk woord is goed geschreven?

a)

tiepies

b)

typies

c)

tiepisch

d)

typisch

5.

Welk woord is goed geschreven?

a)

choas

b)

chaos

c)

gaos

d)

goas

6.

Welke woorden zijn verbindingswoorden?

a)

heeft, wil, kun, voor

b)

je, van, ga, is

c)

zoals, maar, omdat, want

7.

Wat is een samenstelling?

a)

Een nieuw woord maken door twee bestaande woorden aan elkaar te plakken.

b)

Twee nieuwe woorden maken door een bestaand woord.

8.

Hoe schrijf je de persoonsvorm tegenwoordige tijd?

a)

werkten

b)

gewerkt

c)

werkte

d)

werken

9.

Welke zin is goed?

a)

Op maandag ga ik skiën.

b)

Op maandag ga ik skieën.

c)

Op Maandag ga ik skiën.

d)

Op Maandag ga ik skieën.

10.

Welk leesteken staat er voor een citaat?

a)

dubbele punt

b)

komma

c)

vraagteken

d)

punt

11.

Wanneer zet je een komma in een zin?

a)

Aan het einde van de zin.

b)

Tussen twee persoonsvormen.

c)

Wanneer iemand iets zegt.

d)

Voor een citaat.

12.

Moet je bij een citaat aanhalingstekens gebruiken?

a)

Ja

b)

Nee

13.

Hoe citeer je?

a)

Voor het citaat zet je een komma.

b)

Zet het citaat tussen aanhalingstekens.

c)

Voor en achter het citaat zet je punten.

14.

Welke van deze werkwoorden zijn een sterk werkwoord?

a)

Bedenken

b)

Kopen

c)

Lachen

15.

Wanneer gebruik je een uitroepteken?

a)

Om extra nadruk op de zin te leggen.

b)

Achter iedere zin.

c)

Aan het begin van de zin.

16.

Wanneer gebruik je een komma?

a)

Aan het einde van een zin.

b)

Tussen twee persoonsvormen.

c)

aan het begin van een zin.

d)

Na een plaatsnaam

17.

Welk woord is goed geschreven?

a)

commissi

b)

commiesi

c)

commissie

d)

commissy

18.

Wanneer gebruik je een -e- als tussenletter?

a)

Als het eerste woord in een samenstelling een meervoud is.

b)

Van het eerste woord in een samenstelling is er maar één.

19.

Welk antwoord is juist.

a)

Je schrijft 'groentenman', omdat het meervoud van groente - groenten is.

b)

Je schrijft 'groenteman', omdat het meervoud van groente - groentes is.

c)

Je schrijft 'groentenman', omdat het meervoud van groente - groenten en groentes is.

d)

Je schrijft 'groenteman', omdat het meervoud van groente - groenten en groentes is.

20.

Welke woorden zijn goed geschreven?

a)

najaarsstorm, muizenval, hoogtenvrees

b)

najaarsstorm, muisenval, hoogtevrees

c)

najaarstorm, muizenval, hoogtevrees

d)

najaarsstorm, muizenval, hoogtevrees

21.

Kies het juiste voorzetsel: In vergelijking...

a)

met

b)

tot

c)

naar

d)

aan

22.

Kies het juiste voorzetsel: heeft bezwaar...

a)

met

b)

naar

c)

tegen

d)

voor

23.

Kies het juiste voorzetsel: Zich ergeren...

a)

aan

b)

met

c)

voor

d)

naar

24.

Kies het juiste voorzetsel: heeft aandacht...

a)

met

b)

tegen

c)

voor

d)

aan

25.

Kies het juiste voorzetsel: bang zijn...

a)

aan

b)

voor

c)

met

d)

naar

26.

Een ander woord voor aansturen.

a)

leiden

b)

lijden

27.

Een ander woord voor pijn hebben.

a)

leiden

b)

lijden

28.

Een ander woord voor hoogte of niveau

a)

peil

b)

pijl

29.

Een ander woord voor een puntige stok

a)

peil

b)

pijl

30.

Een ander woord voor sprak of praatte

a)

zei

b)

zij

31.

Een ander woord voor ze

a)

zei

b)

zij

32.

Welke woorden zijn goed geschreven?

a)

koud, gauw, camouflage, flauw

b)

koud, gauw, camauflage, flauw

c)

koud, gauw, camouflage, flouw

d)

koud, gouw, camouflage, flauw