Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H5. H3. Mens en milieu

Total questions: 18

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Wanneer is er sprake van uitputting?

a)

Er zijn teveel stoffen aan het milieu toegevoegd

b)

Er zijn teveel stoffen uit het milieu weggehaald

2.

Uitspoeling wilt zeggen dat mineralen et regenwater weggespoeld worden van het landschap af

a)

Waar

b)

Niet waar

3.

Herbiciden zijn pesticiden tegen zoogdieren

a)

Waar

b)

Niet waar

4.

Resistent worden komt door mutatie

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Ammoniumionen worden eerst door nitraatbacterien omgezet in nitrietionen.

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

Versterkte broeikaseffecten komen door:

a)

Doordat er meer broeikasgassen in de dampkring terecht komt

b)

Doordat er meer broeikasgassen in de lucht komt. Daardoor wordt de lucht dikker en dient het als een deken om de aarde.

c)

Omdat bijvoorbeeld een auto warm is. Dus veel warme auto's is gelijk aan warme aarde

7.

Hoe noem je de opstapeling van gifstoffen in dieren?

a)

Eutrofiering

b)

Accumulatie

c)

Resistentie

d)

Inseminatie

8.

KI is hetzelfde als IVF

a)

Waar

b)

Niet waar

9.

Bij KI wordt

a)

er sperma ingebracht in een baarmoeder

b)

Er een sperma cel en een eicel in een reageerbuis samengebracht

c)

Er uitgezocht welk mannetje mag paren met welk vrouwtje

10.

Wat betekend persistent

a)

Het is een ander woord voor pesticiden

b)

Het heeft te maken met accumulatie

c)

Dat de gifstoffen wel natuurlijk afbreekbaar zijn

d)

Dat de pesticiden resistent worden

11.

Het omzetten van glucose in andere organische stoffen noemen we.....

a)

Dissimilatie

b)

Assimilatie

c)

Voortgezette assimilatie

d)

fotosynthese

12.

De functie van reducenten is.....

a)

Het omzetten van organische stoffen tot anorganische stoffen

b)

Het omzetten van anorganische stoffen tot organische stoffen

c)

Het opruimen van afvalproducten

13.

Welke organismen kunnen aan koolstofassimilatie doen?

a)

Producenten

b)

Consumenten

c)

Reducenten

14.

Welke stof kunnen planten opnemen voor stikstofassimilatie?

a)

Nitriet

b)

Nitraat

c)

Ammonium

d)

Ammoniak

15.

Welke organismen doen aan dissimilatie

a)

Alleen producenten

b)

Producenten en consumenten

c)

Alleen consumenten

d)

Producenten, consumenten en reducenten

e)

Alleen reducenten

16.

Wanneer spreekt men van eutrofiering

a)

Wanneer er overbemesting plaatsvindt

b)

Wanneer de hoeveelheid mineralen in het water sterk toeneemt

c)

wanneer planten en dieren in het water doodgaan

d)

Wanneer er algenbloei ontstaat

17.

Als iets anorganische stoffen kan omzetten tot organische stoffen, dan hebben we het over een

a)

Producent

b)

Consument

c)

Reducent

18.

Anaerobe dissimilatie is....

a)

verbranding waarbij zuurstof aanwezig is

b)

Verbranding waarbij er geen zuurstof aanwezig is

c)

De opbouw van anorganische stoffen naar organische stoffen