wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1KGT 2.7 Grammatica (lw,zn,ww)

Total questions: 25

Worksheet time: 50mins

Name
Class
Date
1.

Een zelfstandig naamwoord is ...

a)

een woord voor mensen, dieren, planten, dingen, namen en begrippen.

b)

een doe-woord.

2.

Benoem het onderstreepte woord.

De leraar deelde dropjes uit.

a)

bepaald lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

d)

onbepaald lidwoord

3.

Benoem het onderstreepte woord.

De leraar deelde dropjes uit.

a)

bepaald lidwoord

b)

onbepaald lidwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

4.

Benoem het onderstreepte woord.

De leraar deelde dropjes uit.

a)

bepaald lidwoord

b)

onbepaald lidwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

5.

Benoem het onderstreepte woord.

Rowlings is een beroemde schrijfster van kinderboeken.

a)

bepaald lidwoord

b)

onbepaald lidwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

6.

Benoem het onderstreepte woord.

Rowlings is een beroemde schrijfster van kinderboeken.

a)

bepaald lidwoord

b)

onbepaald lidwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

7.

Benoem het onderstreepte woord.

Rowlings is een beroemde schrijfster van kinderboeken.

a)

bepaald lidwoord

b)

onbepaald lidwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

8.

Benoem het onderstreepte woord.

Rowlings is een beroemde schrijfster van kinderboeken.

a)

bepaald lidwoord

b)

onbepaald lidwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

9.

Benoem het onderstreepte woord.

Rowlings is een beroemde schrijfster van kinderboeken.

a)

bepaald lidwoord

b)

onbepaald lidwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

10.

Hoeveel lidwoorden staan er in deze zin?

In het huis aan de overkant van de straat woont een man met een hond.

a)

drie

b)

vier

c)

vijf

d)

zes

11.

Hoeveel werkwoorden staan er in deze zin?

De postbode komt vroeg in de middag op een brommer de post bezorgen.

a)

één

b)

twee

c)

drie

d)

geen

12.

Hoeveel zelfstandig naamwoorden staan er in deze zin?

In het huis aan de overkant van de straat woont een man met een hond.

a)

drie

b)

vier

c)

vijf

d)

zes

13.

De sleutels van de fiets liggen in het sleutelbakje.

Deze zin bevat...

a)

twee bepaalde lidwoord en één onbepaald lidwoord

b)

drie bepaalde lidwoorden

c)

drie onbepaalde lidwoorden

d)

één bepaald lidwoord en twee onbepaalde lidwoorden

14.

In welke zin is het onderstreepte woord een werkwoord?

a)

Ik voetbal met mijn vrienden.

b)

De voetbal ligt in de gracht.

15.

In welke zin is het onderstreepte woord een werkwoord?

a)

In Freestyle Jazz komen verschillende dansen terug.

b)

De kinderen dansen de hele middag.

16.

In welke zin is het onderstreepte woord een werkwoord?

a)

Mijn oudste broer feest de hele nacht met zijn vrienden.

b)

Na het kampioenschap hadden we een groot feest.

17.

Vul het juiste woord in.

Ik ben ... sleutel van mijn fiets kwijtgeraakt.

a)

de

b)

het

18.

Vul het juiste woord in.

Staat in ... overzicht wanneer we moeten spelen?

a)

de

b)

het

19.

Vul het juiste woord in.

Tijdens ... interview viel ... geluid weg.

a)

de - de

b)

het - het

c)

de - het

d)

het - de

20.

Vul het juiste woord in.

... jongetje struikelde over ... snoeren van ... lamp.

a)

de - de - de

b)

het - het - het

c)

het - de - het

d)

het - de - de

21.

Waar of niet waar?

Een werkwoord heeft verschillende vormen.

a)

waar

b)

niet waar

22.

Waar of niet waar?

Het hele werkwoord eindigt altijd op -en.

a)

waar

b)

niet waar

23.

Benoem het onderstreepte woord.

In de dierentuin ijsbeert de tijger heen en weer.

a)

bepaald lidwoord

b)

onbepaald lidwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

24.

Benoem het onderstreepte woord.

In de dierentuin ijsbeert de tijger heen en weer.

a)

bepaald lidwoord

b)

onbepaald lidwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

25.

Benoem het onderstreepte woord.

In de dierentuin ijsbeert de tijger heen en weer.

a)

bepaald lidwoord

b)

onbepaald lidwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord