wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Kader 1 - hoofdstuk 3 organen en cellen

Total questions: 24

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Bij welk orgaanstelsel hoort: de dijspier

a)

Ademhalingsstelsel

b)

Zenuwstelsel

c)

Beenderstelsel

d)

Spierstelsel

2.

Bij welk orgaanstelsel hoort: het ruggenmerg

a)

Ademhalingsstelsel

b)

Zenuwstelsel

c)

Beenderstelsel

d)

Spierstelsel

3.

Bij welk orgaanstelsel hoort: Lever

a)

Verteringsstelsel

b)

Bloedvatenstelsel

c)

Beenderstelsel

d)

Ademhalingsstelsel

4.

Bij welk orgaanstelsel hoort: de longen

a)

Verteringsstelsel

b)

Bloedvatenstelsel

c)

Beenderstelsel

d)

Ademhalingsstelsel

5.

Wat is het kleinste onderdeel van het lichaam

a)

Weefsel

b)

Orgaanstelsel

c)

Cel

d)

Orgaan

e)

Organisme

6.

Wat wordt er aan gegeven met nummer 6?

a)

Lever

b)

Maag

c)

Dikke darm

d)

Dunne darm

7.

Wat wordt er aan gegeven met nummer 4?

a)

Lever

b)

Maag

c)

Long

d)

Hart

8.

Wat wordt er aan gegeven met nummer 3?

a)

Nier

b)

Maag

c)

Long

d)

Hart

9.

Wat wordt er aan gegeven met nummer 10?

a)

Nier

b)

Dunne darm

c)

Maag

d)

Long

10.

Een groep cellen met dezelfde vorm en functie beschrijft...

a)

een cel

b)

een orgaan

c)

een orgaanstelsel

d)

een weefsel

11.

De cellen van een koe verschillen erg met de cellen van een wolf

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

Waarmee regel je de hoeveelheid licht?

a)

Diafragma

b)

Lamp

c)

Kleine schroef

d)

Grote schroef

13.

Wat wordt aangegeven met nummer 7

a)

Objectieven

b)

Tubus

c)

Oculair

d)

Revolver

14.

Wat wordt aangegeven met nummer 3?

a)

Revolver

b)

Objectieven

c)

Preparaatklemmen

d)

Diafragma

15.

Als we een preparaat gaan maken hoe heet dan het glaasje waar je je voorwerp op legt?

a)

Voorwerpglas

b)

Dekglas

16.

Welk orgaanstelsel is dit?

a)

Ademhalingsstelsel

b)

Spierstelsel

c)

Zenuwstelsel

d)

Bloedvatenstelsel

e)

Beenderstelsel

17.

Wat wordt aangegeven met nummer 8?

a)

Celmembraan

b)

Cytoplasma

c)

Vacuole

d)

Celkern

18.

Wat wordt aangegeven met nummer 5

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Vacuole

d)

Bladgroenkorrel

19.

Cel nummer A is de

a)

Plantencel

b)

Dierlijke cel

20.

Wat is de functie van het celmembraan

a)

Die regelt alles wat er in de cel gebeurt.

b)

Die regelt wat de cel opneemt en afgeeft qua stoffen

c)

Die zorgt voor stevigheid van de cel.

d)

Die zorgt voor de groene kleur van de cel

21.

De kleurstof die wij gebruiken om dierlijke cellen te kleuren, is eosine

a)

Waar

b)

Niet waar

22.

Bij welke vergroting gebruik je de kleine schroef?

a)

Alleen het kleinste objectief

b)

De middelste en grootste objectief

c)

Alleen het grootste objectief

d)

Alle objectieven

23.

Je kijkt door een microscoop en ziet bladgroenkorrels. Kan je dan bepalen naar wat voor cel je kijkt?

a)

Ja een plantencel

b)

Ja een dierlijke cel

c)

Nee dat kan niet, want je hebt de andere celonderdelen nog niet gezien.

24.

Een cel van een mens heeft een celwand

a)

Waar

b)

Niet waar