NEW
Font size
WorksheetsOefentoets Woordsoorten & Zinsdelen
Total questions: 30
Worksheet time: 23mins
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
Tante Lydia past erg vaak op de kinderen van haar zus.
bijvoeglijk naamwoord
bezittelijk voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
De meeste mensen vergeten hun telefoon weleens.
bijvoeglijke bepaling
bezittelijk voornaamwoord
bijvoeglijk naamwoord
bijwoordelijke bepaling
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
Wij zouden afspreken in de kantine maar Stefan is nergens te bekennen.
aanwijzend voornaamwoord
tussenwerpsel
onderschikkend voegwoord
nevenschikkend voegwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
Voor jou heb ik veel over maar jouw auto op mijn vrije dag poetsen gaat mij te ver.
bezittelijk voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
Als jullie de boodschappen doen wil ik wel komen koken.
koppelwerkwoord
zelfstandig werkwoord
hulpwerkwoord
bijwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
Het is verboden de dieren hier te voeren.
hulpwerkwoord
koppelwerkwoord
zelfstandig werkwoord
zelfstandig naamwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
Ik kan ons blijven beschrijven totdat ik een ons weeg.
bezittelijk voornaamwoord
bepaald hoofdtelwoord
persoonlijk voornaamwoord
bepaald rangtelwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
De glazenwasser wast elke dag veel glazen.
bijvoeglijk naamwoord
onbepaald rangtelwoord
bijwoord
onbepaald hoofdtelwoord
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
Gisteren is er een pakketje bij de buren bezorgd.
voorzetsel
lidwoord
aanwijzend voornaamwoord
tussenwerpsel
Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?
De stok die die man gooit is voor een hond bedoeld.
aanwijzend voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
lidwoord
betrekkelijk voornaamwoord
Tot welke woordsoort behoren de achtereenvolgende onderstreepte woorden?
Tante Lydia past erg vaak op de kinderen van haar zus.
bijwoord / bezittelijk voornaamwoord
bijwoord / persoonlijk voornaamwoord
bijvoeglijk naamwoord / bezittelijk voornaamwoord
bijwoord / bezittelijk voornaamwoord
Tot welke woordsoorten behoren de achtereenvolgende onderstreepte woorden?
De meeste mensen vergeten hun telefoon weleens.
bijwoord / persoonlijk voornaamwoord
onbepaald hoofdtelwoord / persoonlijk voornaamwoord
bijwoord / bezittelijk voornaamwoord
onbepaald hoofdtelwoord / bezittelijk voornaamwoord
Tot welke woordsoort behoren de achtereenvolgende onderstreepte woorden?
Als jullie de boodschappen doen wil ik wel komen koken.
persoonlijk voornaamwoord / hulpwerkwoord
bezittelijk voornaamwoord / hulpwerkwoord
persoonlijk voornaamwoord / zelfstandig werkwoord
bezittelijk voornaamwoord / zelfstandig werkwoord
Tot welke woordsoort behoren de achtereenvolgende onderstreepte woorden?
De glazenwasser wast elke dag veel glazen.
koppelwerkwoord / bepaald hoofdtelwoord
zelfstandig werkwoord / onbepaald rangtelwoord
koppelwerkwoord / bepaald rangtelwoord
zelfstandig werkwoord / onbepaald hoofdtelwoord
Tot welke woordsoort behoren de achtereenvolgende onderstreepte woorden?
De stok die die man gooit is voor een hond bedoeld.
aanwijzend voornaamwoord / lidwoord
lidwoord / voorzetsel
aanwijzend voornaamwoord / voorzetsel
aanwijzend voornaamwoord / persoonlijk voornaamwoord
In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?
Als de DJ op stap is geweest, draait hij de volgende dag erg slecht.
hoofdzin
bijzin
In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?
Ik schaats al zo'n vijftal winters niet meer, omdat het niet hard genoeg vriest.
Hoofdzin
Bijzin
In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?
Als hij scoort, trakteer ik iedereen op een biertje.
hoofdzin
bijzin
In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?
Ga je mee op sportkamp of blijf je liever thuis?
hoofdzin
bijzin
In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?
We gaan op vakantie zwemmen en door de bergen fietsen.
hoofdzin
bijzin
In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?
We zullen het pas op de dag zelf weten, hoe de jurk eruit ziet.
hoofdzin
bijzin
In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?
Op de sportschool is het erg druk, maar gezellig is het niet.
hoofdzin
bijzin
In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?
Volgende week is er een tentamen dus ik hoop dat ik dit weekend ziek word.
hoofdzin
bijzin
In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?
Ik ben super zenuwachtig, hoewel het pas over een week gaat gebeuren.
hoofdzin
bijzin
In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?
Soms weet ik niet wat ik moet zeggen dus dan zeg ik maar niets.
hoofdzin
bijzin
Welke zinsstructuur kenmerkt de volgende zin?
We zullen het pas op de dag zelf weten, hoe de jurk eruit ziet.
[hoofdzin + hoofdzin]
[hoofdzin + (bijzin)]
[(bijzin) + hoofdzin]
Welke zinsstructuur kenmerkt de volgende zin?
Op de sportschool is het erg druk, maar gezellig is het niet.
[hoofdzin + hoofdzin]
[hoofdzin + (bijzin)]
[(bijzin) + hoofdzin]
Welke zinsstructuur kenmerkt de volgende zin?
Volgende week is er een tentamen dus ik hoop dat ik ziek wordt.
[hoofdzin + hoofdzin]
[hoofdzin + (bijzin)]
[(bijzin) + hoofdzin]
Welke zinsstructuur kenmerkt de volgende zin?
Ik ben super zenuwachtig, alhoewel het pas over een week gaat gebeuren.
[hoofdzin + hoofdzin]
[hoofdzin + (bijzin)]
[(bijzin) + hoofdzin]
Welke zinsstructuur kenmerkt de volgende zin?
Soms weet ik niet wat ik moet zeggen dus dan zeg ik maar niets.
[hoofdzin + hoofdzin]
[hoofdzin + (bijzin)]
[(bijzin) + hoofdzin]
