wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets Woordsoorten & Zinsdelen

Total questions: 30

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?


Tante Lydia past erg vaak op de kinderen van haar zus.

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

persoonlijk voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

2.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?


De meeste mensen vergeten hun telefoon weleens.

a)

bijvoeglijke bepaling

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

bijwoordelijke bepaling

3.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?


Wij zouden afspreken in de kantine maar Stefan is nergens te bekennen.

a)

aanwijzend voornaamwoord

b)

tussenwerpsel

c)

onderschikkend voegwoord

d)

nevenschikkend voegwoord

4.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?


Voor jou heb ik veel over maar jouw auto op mijn vrije dag poetsen gaat mij te ver.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

5.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?


Als jullie de boodschappen doen wil ik wel komen koken.

a)

koppelwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

hulpwerkwoord

d)

bijwoord

6.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?


Het is verboden de dieren hier te voeren.

a)

hulpwerkwoord

b)

koppelwerkwoord

c)

zelfstandig werkwoord

d)

zelfstandig naamwoord

7.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?


Ik kan ons blijven beschrijven totdat ik een ons weeg.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

bepaald hoofdtelwoord

c)

persoonlijk voornaamwoord

d)

bepaald rangtelwoord

8.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?


De glazenwasser wast elke dag veel glazen.

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

onbepaald rangtelwoord

c)

bijwoord

d)

onbepaald hoofdtelwoord

9.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?


Gisteren is er een pakketje bij de buren bezorgd.

a)

voorzetsel

b)

lidwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

tussenwerpsel

10.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?


De stok die die man gooit is voor een hond bedoeld.

a)

aanwijzend voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

c)

lidwoord

d)

betrekkelijk voornaamwoord

11.

Tot welke woordsoort behoren de achtereenvolgende onderstreepte woorden?


Tante Lydia past erg vaak op de kinderen van haar zus.

a)

bijwoord / bezittelijk voornaamwoord

b)

bijwoord / persoonlijk voornaamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord / bezittelijk voornaamwoord

d)

bijwoord / bezittelijk voornaamwoord

12.

Tot welke woordsoorten behoren de achtereenvolgende onderstreepte woorden?


De meeste mensen vergeten hun telefoon weleens.

a)

bijwoord / persoonlijk voornaamwoord

b)

onbepaald hoofdtelwoord / persoonlijk voornaamwoord

c)

bijwoord / bezittelijk voornaamwoord

d)

onbepaald hoofdtelwoord / bezittelijk voornaamwoord

13.

Tot welke woordsoort behoren de achtereenvolgende onderstreepte woorden?


Als jullie de boodschappen doen wil ik wel komen koken.

a)

persoonlijk voornaamwoord / hulpwerkwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord / hulpwerkwoord

c)

persoonlijk voornaamwoord / zelfstandig werkwoord

d)

bezittelijk voornaamwoord / zelfstandig werkwoord

14.

Tot welke woordsoort behoren de achtereenvolgende onderstreepte woorden?


De glazenwasser wast elke dag veel glazen.

a)

koppelwerkwoord / bepaald hoofdtelwoord

b)

zelfstandig werkwoord / onbepaald rangtelwoord

c)

koppelwerkwoord / bepaald rangtelwoord

d)

zelfstandig werkwoord / onbepaald hoofdtelwoord

15.

Tot welke woordsoort behoren de achtereenvolgende onderstreepte woorden?


De stok die die man gooit is voor een hond bedoeld.

a)

aanwijzend voornaamwoord / lidwoord

b)

lidwoord / voorzetsel

c)

aanwijzend voornaamwoord / voorzetsel

d)

aanwijzend voornaamwoord / persoonlijk voornaamwoord

16.

In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?


Als de DJ op stap is geweest, draait hij de volgende dag erg slecht.

a)

hoofdzin

b)

bijzin

17.

In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?


Ik schaats al zo'n vijftal winters niet meer, omdat het niet hard genoeg vriest.

a)

Hoofdzin

b)

Bijzin

18.

In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?


Als hij scoort, trakteer ik iedereen op een biertje.

a)

hoofdzin

b)

bijzin

19.

In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?


Ga je mee op sportkamp of blijf je liever thuis?

a)

hoofdzin

b)

bijzin

20.

In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?


We gaan op vakantie zwemmen en door de bergen fietsen.

a)

hoofdzin

b)

bijzin

21.

In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?


We zullen het pas op de dag zelf weten, hoe de jurk eruit ziet.

a)

hoofdzin

b)

bijzin

22.

In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?


Op de sportschool is het erg druk, maar gezellig is het niet.

a)

hoofdzin

b)

bijzin

23.

In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?


Volgende week is er een tentamen dus ik hoop dat ik dit weekend ziek word.

a)

hoofdzin

b)

bijzin

24.

In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?


Ik ben super zenuwachtig, hoewel het pas over een week gaat gebeuren.

a)

hoofdzin

b)

bijzin

25.

In het onderstreepte deel van de zin een hoofdzin of een bijzin?


Soms weet ik niet wat ik moet zeggen dus dan zeg ik maar niets.

a)

hoofdzin

b)

bijzin

26.

Welke zinsstructuur kenmerkt de volgende zin?


We zullen het pas op de dag zelf weten, hoe de jurk eruit ziet.

a)

[hoofdzin + hoofdzin]

b)

[hoofdzin + (bijzin)]

c)

[(bijzin) + hoofdzin]

27.

Welke zinsstructuur kenmerkt de volgende zin?


Op de sportschool is het erg druk, maar gezellig is het niet.

a)

[hoofdzin + hoofdzin]

b)

[hoofdzin + (bijzin)]

c)

[(bijzin) + hoofdzin]

28.

Welke zinsstructuur kenmerkt de volgende zin?


Volgende week is er een tentamen dus ik hoop dat ik ziek wordt.

a)

[hoofdzin + hoofdzin]

b)

[hoofdzin + (bijzin)]

c)

[(bijzin) + hoofdzin]

29.

Welke zinsstructuur kenmerkt de volgende zin?


Ik ben super zenuwachtig, alhoewel het pas over een week gaat gebeuren.

a)

[hoofdzin + hoofdzin]

b)

[hoofdzin + (bijzin)]

c)

[(bijzin) + hoofdzin]

30.

Welke zinsstructuur kenmerkt de volgende zin?


Soms weet ik niet wat ik moet zeggen dus dan zeg ik maar niets.

a)

[hoofdzin + hoofdzin]

b)

[hoofdzin + (bijzin)]

c)

[(bijzin) + hoofdzin]