wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H3 | H10 Gezondheid

Total questions: 37

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Tik alle stoffen aan die door de longen worden uitgescheiden

a)

Zuurstof

b)

Koolstofdioxide

c)

Glucose

d)

Water

2.

Tik alle stoffen aan die door de nieren worden uitgescheiden

a)

Water

b)

Zouten

c)

Glucose

d)

Koolstofdioxide

3.

Tik alle stoffen aan die door spieren worden opgenomen uit het bloed

a)

Glucose

b)

Zuurstof

c)

Koolstofdioxide

d)

Water

4.

Wanneer het glucosegehalte in het bloed te hoog is, geeft de alvleesklier deze stof af

a)

Glucose

b)

Insuline

c)

Glucagon

d)

Glycogeen

5.

Wanneer het glucosegehalte in het bloed te laag is, geeft de alvleesklier deze stof af

a)

Glucose

b)

Insuline

c)

Glucagon

d)

Glycogeen

6.

Glycogeen is...

a)

De opgeslagen vorm van glucose

b)

Een hormoon dat de bloedsuikerspiegel laat stijgen

c)

Een hormoon dat de bloedsuikerspiegel laat dalen

7.

Tik alle functies van de lever aan

a)

Opbouwen en omzetten van eiwitten en vetten

b)

Stoffen afbreken en eventueel onschadelijk maken

c)

Stoffen afvoeren zoals billirubine met gal

d)

Opslag van ijzer en glycogeen

e)

Filteren van zouten en water

8.

Tik alle stoffen aan die bij een gezond persoon door nieren uit het bloed worden gefilterd

a)

Afbraakproducten

b)

Overschot aan zouten

c)

Overschot aan vitaminen

d)

Overbodige stoffen zoals kleurstof

e)

Dode witte bloedcellen

9.

In welke huidlaag moet een tattoo geplaatst worden?

a)

Hoornlaag

b)

Kiemlaag

c)

Lederhuid

d)

Onderhuids bindweefsel

10.

Zweet koelt de huid af omdat...

a)

Het zweet is koud dus het koelt je huid af

b)

Je huid wordt nat waardoor je afkoelt

c)

Het zweet verdampt en verbruikt hierbij de warmte van je huid

d)

De warmte via je zweet uit je huid komt

11.

Welk bestandsdeel van het bloed is verantwoordelijk voor de bloedstolling?

a)

Rode bloedcellen

b)

Bloedplasma

c)

Bloedplaatjes

d)

Witte bloedcellen

12.

Deze kleverige draadjes vormen een netwerk waarin rode bloedcellen blijven hangen. Hierdoor ontstaat er een korstje

a)

Fibrinedraden

b)

Hemoglobine

c)

Billirubine

d)

Bloedplaatjes

13.

De tumor in deze afbeelding is...

a)

Goedaardig

b)

Kwaadaardig (kanker)

14.

Deze stof is de natuurlijke bescherming van je huid tegen de zon

a)

Pigment

b)

Zonnebrand

c)

UV-straling

d)

Talg

15.

Bij deze ziekte zit er een virus in de slijmvliezen van je mond, neus en keel. Hierdoor krijg je een loopneus en ga je hoesten en niezen.

a)

Verkoudheid

b)

Griep

c)

Koorts

16.

Op deze plekken in je lichaam liggen heel veel witte bloedcellen opgeslagen. Deze kunnen zwellen wanneer je ziek bent.

a)

Lymfeknoppen

b)

Onderhuids bindweefsel

c)

Galblaas

17.

Ziekteverwekkers worden door witte bloedcellen herkent aan...

a)

Antigenen

b)

Antistoffen

18.

Witte bloedcellen kunnen op twee manieren ziekteverwekkers onschadelijk maken. Tik de juiste aan

a)

Afweercellen gaan antistoffen maken

b)

Afweercellen gaan antigenen maken

c)

Vreetcellen eten de ziekteverwekkers op

d)

Afweercellen blokkeren de bloedvaten met ziekteverwekkers

19.

Dit onderdeel van je hersenen regelt de temperatuur. Wanneer er witte bloedcellen actief worden, prikkelen de stofjes dit onderdeel waardoor je koorts krijgt

a)

Hypothalamus

b)

Hersenstam

c)

Cerebellum

d)

Billirubine

20.

Wanneer je een vaccinatie krijgt, spuiten ze ____ in.

a)

Afgezwakte ziekteverwekkers

b)

Antigenen van ziekteverwekkers

c)

Antistoffen tegen ziekteverwekkers

21.

Bij deze vorm van immuniteit worden geheugencellen aangemaakt

a)

Passieve immuniteit

b)

Actieve immuniteit

22.

Bij het geven van borstvoeding krijgt de baby antistoffen van zijn moeder binnen via de moedermelk. De baby is hierdoor tijdelijk beschermt tegen ziektes. Dit is een voorbeeld van...

a)

Passieve immuniteit

b)

Actieve immuniteit

23.

Deze medicijnen maken je immuuncellen kapot waardoor een griepje al gevaarlijk kan zijn.

a)

Afstotingsremmers

b)

THC pillen

c)

Paracetamol

d)

Melatonine

24.

Tik alle voorbeelden van een ongezonde leefstijl aan

a)

Roken

b)

Zwemmen

c)

4 uur slaap per nacht

d)

1x per week een glas wijn

e)

Naar een psycholoog gaan

25.

Wanneer je een genotsmiddel mist omdat je dit bijvoorbeeld met je vrienden in de pauze deed, ben je...

a)

Lichamelijk afhankelijk

b)

Sociaal afhankelijk

c)

Geestelijk afhankelijk

26.

Wanneer je gaat trillen en zweten wanneer je een genotsmiddel niet gebruikt, ben je...

a)

Lichamelijk afhankelijk

b)

Sociaal afhankelijk

c)

Geestelijk afhankelijk

27.

Tik alle organen aan die aangetast worden door alcohol

a)

Hersnen

b)

Slokdarm

c)

Hart- en bloedvaten

d)

Maag

e)

Lever

28.

Verdovende middelen...

a)

Laten je hersenen en dus ook lichaam langzamer werken

b)

Laten je hersenen sneller werken

c)

Laten je hersenen de wereld ''anders'' waarnemen

29.

Welke stof maakt een sigaret verslavend?

a)

Nicotine

b)

Teer

30.

Nicotine vernauwd de bloedvaten. Hierdoor voelen de handen van rokers kouder aan. Bovendien krijgen rokers hierdoor een hoge bloeddruk, want

a)

Het is moeilijker om bloed door vernauwde aders te pompen, hierdoor moet het hart harden werken

b)

Doordat het lichaam koud voelt probeert het lichaam te compenseren door sneller bloed te pompen

c)

Nicotine heeft ook directe invloed op het hart

d)

De hypotalamus wordt door de temperatuursdaling geactiveerd, hierdoor stijgt de bloeddruk

31.

Een patiënt heeft de ziekte hemofilie. Dit betekent dat het bloed niet goed stolt omdat er bijvoorbeeld onvoldoende stollingseiwitten in het plasma aanwezig zijn. Welk bestandsdeel zou via transfusie extra toegediend moeten worden?

a)

Bloedplaatjes

b)

Rode bloedcellen

c)

Bloedplasma

32.

Je bloedgroep wordt bepaald door de ______ op je bloedcellen

a)

Antistoffen

b)

Antigenen

33.

Een persoon met bloedgroep A heeft deze antistoffen in zijn bloedplasma

a)

Anti A

b)

Anti B

c)

Geen

d)

anti A en anti B

34.

Een persoon met bloedgroep AB heeft deze antistoffen in zijn bloedplasma

a)

Anti A

b)

Anti B

c)

Geen

d)

anti A en anti B

35.

Een persoon met bloedgroep O kan veilig bloed ontvangen van een donor met bloedgroep A

a)

Waar

b)

Niet waar

36.

Bekijk de afbeelding. Welke bloedgroep zal deze persoon hebben?

a)

A

b)

B

c)

AB

d)

O

37.

Bekijk de afbeelding. Welke bloedgroep zal deze persoon hebben?

a)

A

b)

B

c)

AB

d)

O