wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordenschat hoofdstuk 1 en 2 V2

Total questions: 18

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

In een vergelijking staan twee dingen naast elkaar die op elkaar lijken.

a)

juist

b)

onjuist

2.

Bij een metafoor is er een beeld en een object.

a)

juist

b)

onjuist

3.

Veronique vliegt door de spannende boeken.

a)

personificatie

b)

vergelijking

c)

metafoor

d)

metonymie

4.

Beeldspraak is altijd figuurlijk bedoeld.

a)

juist

b)

onjuist

5.

werkwoorden kunnen een metafoor zijn.

a)

juist

b)

onjuist

6.

Je moet geen appels met peren vergelijken.

a)

personificatie

b)

metafoor

c)

metonymie

d)

vergelijking

7.

Je bent een rund als je met vuurwerk stunt.

a)

metonymie

b)

metafoor

c)

vergelijking

d)

personificatie

8.

Het schip danste op de golven.

a)

metafoor

b)

metonymie

c)

personificatie

d)

vergelijking

9.

Stijn was door langdurige ziekte zo stijf als een plank.

a)

metafoor

b)

metonymie

c)

personificatie

d)

vergelijking

10.

Welke term(en) zijn vormen van beeldspraak?

a)

personificatie

b)

vergelijking

c)

metafoor

11.

Zo arm als een

a)

kerkrat

b)

ransuil

c)

huismus

d)

boktor

12.

Zo fris als een...

a)

vogel

b)

hoentje

c)

hondje

d)

kat

13.

Na de uitzending regende het klachten van kijkers.

a)

metafoor

b)

metonymie

c)

personificatie

d)

vergelijking

14.

Zij won goud op de sprint

a)

metafoor

b)

metonymie

c)

personificatie

d)

vergelijking

15.

Slochteren levert de regering veel geld op.

a)

personificatie

b)

metonymie

c)

vergelijking

d)

metafoor

16.

Het hele hotel werd ziek.

a)

metafoor

b)

metonymie

c)

vergelijking

d)

personificatie

17.

De docent moest voor ze naar huis gingen nog even de neuzen tellen.

a)

metafoor

b)

metonymie

c)

personificatie

d)

vergelijking

18.

Beeldspraak die niet berust op een vergelijking maar op een ander verband noemen we:

a)

metafoor

b)

vergelijking

c)

metonymie

d)

personificatie