wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hulp verleners

Total questions: 24

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

1.Een militair of een soldaat werkt in het leger.

a)

onderwerp: Een soldaat

b)

onderwerp: Een militair

c)

onderwerp: Een militair of een soldaat

d)

onderwerp: Een militair of een politie

2.

1.De politie verleent hulp op verschillende manieren.

a)

Onderwerp: De Politie

b)

Onderwerp: Verschillende

c)

Onderwerp: Verleent

d)

Onderwerp: Verschillende manieren

3.

Een militair of een soldaat werkt in het leger.

a)

PV: Een militair

b)

PV: werkt

c)

PV: Een soldaat

d)

Een militair of een soldaat

4.

Een militair of een soldaat werkt in het leger.

a)

Gez: Een militair

b)

Gez: Een soldaat

c)

Gez: Werkt

5.

De politie verleent hulp op verschillende manieren.

a)

PV: De politie

b)

PV:Op verschillinde manieren

c)

PV: Verleent

6.

De politie verleent hulp op verschillende manieren.

a)

Gez: Verleent

b)

Gez: De politie verleent

c)

Gez: Op verschillende manieren

d)

Gez: Hulp

7.

Een huisarts verwijs je naar een chirurg

a)

Onderwerp: Verwijst

b)

Onderwerp: Een huisarts

c)

Onderwerp: Een chirurg

8.

Een huisarts verwijst je naar een chirurg

a)

PV: Een chirurg

b)

PV: Een huisarts

c)

PV: verwijst

9.

Een huisarts verwijs je naar een chirurg

a)

Gez: Een huisarts

b)

Gez: verwijst

c)

Gez: Een chirurg

10.

Hij heeft mensen uit het water gehaald.

a)

Gez: Hij heeft

b)

Gez: Heeft gehaald

c)

Gez: Heeft

d)

Gez: Gehaald

11.

Hij heeft mensen uit het water gehaald.

a)

Ond: Mensen

b)

Ond: Water

c)

Ond: Hij

d)

Ond: heeft

12.

Hij heeft mensen uit het water gehaald.

a)

PV: Heeft

b)

PV: gehaald

c)

PV: heeft gehaald

13.

Een huisarts heeft een dokters tas.

a)

Ond: Een huisarts

b)

Ond: Heeft

c)

Ond. Een dokters tas

14.

Een huisarts heeft een dokters tas.

a)

PV: Een huisarts

b)

PV: Heeft

c)

PV: Een dokters tas

15.

Een huisarts heeft een dokters tas.

a)

Gez: Een huisarts

b)

Gez: Heeft

c)

Gez: een dokters tas

16.

Een patiënt heeft een injectie gekregen.

a)

Ond: Een injectie

b)

Ond: Een patiënt

c)

Ond: Heeft

d)

Ond: Heeft gekregen

17.

Een patiënt heeft een injectie gekregen.

a)

PV: Een injecie

b)

PV: Een patiënt

c)

PV: Heeft

d)

PV: Heeft gekregen

18.

Een patiënt heeft een injectie gekregen

a)

Gez: Een injectie

b)

Gez: Een patiënt

c)

Gez: Heeft

d)

Gez: Heeft gekregen

19.

Een politie assisteert bij een burenruzie.

a)

Ond: Een politie

b)

Ond: Een burenruzie

c)

Ond: assisteert

20.

Een politie assisteert bij een burenruzie

a)

PV: Een plolitie

b)

PV: Een burenruzie

c)

PV: assisteert

21.

Een politie assisteert bij een burenruzie.

a)

Gez. Een politie

b)

Gez: Assisteert

c)

Gez: Een burenruzie

22.

Een agent heeft het verkeer geregeld.

a)

Ond: Heeft

b)

Ond: Heeft geregeld

c)

Ond: Het verkeer

d)

Ond: Een agent

23.

Een agent heeft het verkeer geregeld.

a)

PV: Heeft

b)

PV: Heeft geregeld

c)

PV: Het verkeer

d)

PV: Een agent

24.

Een agent heeft het verkeer geregeld.

a)

Gez: Heeft

b)

Gez: Heeft geregeld

c)

Gez: Het verkeer

d)

Gez: Een agent